Tekst van de week

 

Gode zingen

 

Preek gehouden op 17 oktober 2021 tijdens de avonddienst

Tekst: lied 713 uit het Nieuwe Liedboek

 

Voorganger: ds. H. Boersma

 

Vanavond gaan we stap voor stap door het lied ‘Wij moeten Gode zingen’. Dit lied stond ook in het oude liedboek voor de kerken, gezang 301. Het oude liedboek stamt 1973. Ik ben er als het ware mee opgegroeid, ken daardoor dit lied ook goed. Blijkbaar is het nog steeds geliefd, want het staat ook in ons huidige liedboek. Het is nummer 713.

 

Het lied is geschreven door Willem Barnard. Hij leefde van 1920 tot 2010. Willem Barnard was in de eerste plaats theoloog en dichter. Hij was ook predikant. Als leerling-predikant stond hij een tijdje in Hardenberg. Voorgaan in de kerkdienst vond hij mooi en kon hij, geloof ik, ook goed. Het pastoraat lag hem minder. Willem Barnard vond het lastig om mee te leven met het wel en wee van gewone mensen.

 

Willem Barnard heeft een belangrijke rol gespeeld in de vertaling van de psalmen zoals wij die nu zingen.

 

Na zijn pensionering is hij overgestapt naar de oud-katholieke kerk. Dat is een klein kerkgenootschap van een kleine 5000 leden. De organisatie is democratisch. Er is dus geen paus en geen top-down leiding. Maar voor de rest en dan vooral wat betreft de liturgie, lijkt de oud katholieke kerk op de rooms-katholieke kerk. Dat is wat Barnard aansprak.

 

Barnard schreef het lied ‘Wij moeten Gode zingen’ rond 1930. De eerste titel was ‘De lier hing aan de wilgen’. Deze zin staat in het vierde couplet. De componist is Willem Vogel. Over de muziek is vast veel te zeggen, maar ik heb daar te weinig verstand van. We beperken ons dus tot de inhoud. Laten we het eerste couplet zingen.

 

Zingen Lied 713 vers 1 ‘Wij moeten Gode zingen’

 

Wij moeten Gode zingen
Halleluja,
om alle goede dingen
Halleluja,
al zijn wij vreemdelingen
in schande en in scha,
Gij zendt uw zegeningen
Halleluja.

 

 

Stel nu dat Barnard die derde naamval niet zou hebben gebruikt, dat hij niet Gode zou hebben geschreven. Dan had hij een voorzetsel moeten kiezen. Hij dan moeten schrijven: wij moeten met God zingen, of: wij moeten voor God zingen, of: wij moeten over God zingen, of: wij moeten tot God zingen. Door Gode te schrijven, laat de dichter het open. Alle voorzetsels zijn mogelijk. Als we gelovig zingen, dan is dat met, over, voor en tot God.

 

En waarom moeten we Gode zingen? Omdat God ons zo veel goede dingen geeft, zo staat in de tweede regel. Wat een prachtig begin en zo tegengesteld aan hoe wij vaak denken. Veel goeds in ons leven nemen wij voor vanzelfsprekend aan. Dat we een dak boven ons hoofd hebben, eten, geld, dat we contacten hebben, een lichaam, lucht om te ademen. We vinden het gewoon en brengen het niet in verband met ons geloof. Pas als het misgaat komt de vraag naar God boven. Het lied doet het anders. Het lied begint bij de dank. Al het goede dat we krijgen, is reden om God te eren en te prijzen.

 

Zelfs als we vreemdelingen zijn. In schande en in scha. Ja, het wordt in het eerste couplet meteen spannend. Want de dichter nodigt ons uit om God al zingend te danken, maar dat dan wel juist op het moment dat we ons vreemdeling weten. Vreemd als christen in een wereld die steeds minder christelijk wordt. Vreemd als jongere in een christelijke gemeenschap vol senioren. Vreemd sowieso, omdat we misschien een grote afstand tot God ervaren, ons ver weg weten van onze bestemming, van het werkelijke, ware leven.

 

Het volk Israël is lange tijd vreemdeling. Eerst in Egypte, vervolgens in Babel. Maar terwijl ze van huis en haard verdreven zijn, verliezen ze hun vertrouwen in God niet. In tegendeel ze vertellen elkaar verhalen, zingen en bidden. Misschien zingen ze psalm 108 wel, die misschien wel bedoeld is juist voor situaties van nacht en duister:

 

Mijn hart is gerust, o God,

ik wil zingen en spelen,

mijn ziel, ontwaak met harp en lier

ik wil het morgenrood wekken.

 

Zingen Lied 713 vers 2

 

Hij schenkt de levensadem,
Hij geeft de levensgeest,
in schande en in schade
is Hij nabij geweest,
aan al wie Hem aanbaden,
aan ieder die Hem vreest,
komt Hij, de Heer, te stade,
de minsten allermeest.

 

Aanvankelijk schrijft Barnard het lied voor de zondag na Pinksteren. Dat merken we in dit tweede couplet het duidelijkst. Het gaat immers om de levensgeest die geschonken wordt. Adem die ons doet leven. Trouwens ook Paulus zegt in Efeziërs 5, 19 dat het Gods Geest is die maakt dat we psalmen, hymnen en liederen zingen.

 

Toch komt ook hier de schande en schade weer om de hoek kijken. Schande betekent dat er fouten gemaakt zijn, door anderen, door ons. Schade is materieel leed. We lijden schade aan huis en haard, lijf en goed. En we zingen: ook in schade en schande, of juist in schade en schande Hij nabij geweest. Beseffen we dat op het moment zelf? Of beseffen we pas achteraf dat God nabij was?

 

Het lied legt de verantwoordelijkheid voor Gods nabijheid overigens niet alleen bij God zelf. Ook wij, Gods schepselen, krijgen een taak. Want wie naar Gods nabijheid verlangt, die zal ook zelf naderbij moeten komen. Die zal ook zelf God moeten aanbidden, hem vrezen.

 

Vrezen betekent hier niet bang zijn, maar eerbied hebben, ontzag, weet hebben van Gods heiligheid.

 

Verlangen wij naar de Heer, zoeken wij zijn aangezicht, dan komt de Heer te stade, dan komt hij ons te hulp.

 

De laatste zin is een getuigenis van Gods vereenzelviging met de minsten der mensen.

 

Want zo staat ook in Filippenzen 2:

 

Hij die de gestalte van God had,

hield zijn gelijkheid aan God niet vast,

maar deed er afstand van.

Hij nam de gestalte aan van een slaaf

en werd gelijk aan een mens.

En als mens verschenen heeft hij zich vernederd

en werd gehoorzaam tot in de dood,

de dood aan het kruis.

 

Soms weet je dit gewoon. Dan ervaar je God op deze manier of vertrouw je erop. Dat Hij in Jezus met je is, tot in de diepste diepten. Maar soms moet je eraan herinnerd worden, bijvoorbeeld door een lied. In schande en in schade is hij nabij geweest.

 

Zingen Lied 713 vers 3

 

Al leeft uw volk verschoven

kyrieleison,

in 't land van vuur en oven,

in 't land van Babylon,

al is de hemel boven

voor mensen doof en stom,

nog moeten wij U loven

met stem en fluit en trom.

 

Dit couplet verwijst het duidelijkst naar de Babylonische ballingschap, van ongeveer 597 tot 538 voor Christus. Gods volk is gedeporteerd, afgevoerd. Genoeg reden dus om nu even geen halleluja – lof zij God – te zingen, maar kyrië eleison. Dat betekent ‘Heer ontferm u’. We hoeven de dingen niet mooier te maken dan ze zijn.

 

Babel is het land van vuur en oven. We denken meteen aan Daniël die in met zijn vrienden in de vuuroven wordt gegooid.

 

Dan staat er: Al is de hemel boven, voor mensen doof en stom.

 

God die niet spreekt en niet luistert. Dat onzekere gevoel of het wel zin heeft te bidden? Waarom zou ik mijn oor bij hem te luisteren leggen? Ja, zulke vragen worden door twijfelaars gesteld, door zoekers, door mensen die teleurgesteld zijn. Maar ook mensen met een diep vertrouwen in hun schepper kunnen donkere periodes doormaken. Ja, ze belijden hun geloof, gaan naar de kerk, voelen zich diep verbonden met de traditie, en toch ervaren ze een diepe duisternis. Het lijkt alsof God zich van hen afwendt, alsof God hen links laat liggen, zich niets van hen aantrekt. Dergelijke ervaringen zijn herkenbaar, misschien ook wel voor u, in ieder geval voor mij.

 

Dat is soms ook mijn bezwaar tegen kerkdiensten met een te hoog opwekkingsgehalte. O ja, ik zing ze graag hoor: de innige liederen, waarin God zo nabij is, als een vriend, als een vader. Maar soms klopt het gewoon niet. Dan ervaar ik de hemel als doof en stom, voel ik mij als gelovige in de kou staan, door God verlaten. Dan ben ik figuurlijk gesproken in ballingschap. Niet thuis, niet bij God, maar ver weg.

 

Maar dan nog, dan nog moeten wij U loven, zegt het lied. Dan nog moeten wij U loven met stem en fluit en trom. Het is het woordje ‘nog’ dat mij ontroert en aanzet om door te gaan. Om te zoeken naar mensen die in situaties van onheil doorgaan met vertrouwen, geloven en zingen. Ik hoor van mensen die het lied aanheffen als ze gemarteld worden, of als ze in de gevangenis worden gestopt. Er zijn zelfs getuigenissen van mensen die zingend hun dood tegemoet gaan. Nee, er is niets, maar dan ook niets moois aan hun situatie. Hun leven is een hel. Ze zijn door God en mens verlaten.

En nog blijven ze God loven.

 

Ik weet het niet. Ik wil het niet te veel duiden, niet te begrijpelijk maken. Want er zit weinig begrijpelijks aan. Het past niet in de alledaagse logica. En toch. Voor mij raken deze getuigenissen aan een zekerheid die ik zelf ook diep van binnen ervaar.

Ook al is de hemel boven voor mensen doof en stom

Nóg moeten wij u loven, met stem en fluit en trom.

 

Zingen Lied 713 vers 4

 

De lier hing aan de wilgen,

misericordia,

God zal ons niet verdelgen,

aan God zij gloria.

Zijn woord zal ons genezen,

halleluja,

zoals het was voor dezen

in Galilea.

 

En dan nu die lier aan de wilgen. Hier verwijst het lied naar psalm 137. Daar staat:

 

Aan de rivieren van Babel,

daar zaten wij treurend

en dachten aan Sion.

In de wilgen op de over

hingen wij onze lieren.

 

Iets verderop staat:

Hoe kunnen wij zingen een lied van de Heer,

op vreemde grond?

Wij roepen om medelijden.

 

Miserecordia.

 

En dan gebeurt er iets bijzonders. Want psalm 137 gaat tegen zijn eigen woorden in.

 

Als ik jou vergeet, Jeruzalem,

laat dan mijn hand de snaren vergeten.

Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

als ik niet meer denk aan jou,

als ik Jeruzalem niet stel

boven alles wat mij verheugt.

 

Kortom. Die lier, dat wil zeggen de harp, kan en mag niet aan de wilgen gehangen worden of in de kast gestopt, op zolder opgeborgen. Ja, het is in de wereld soms uiterst problematisch. Ja, er gaan mensen dood. Ja, de kerken zijn niet meer zo vol als voorheen. Ja, we maken ons zorgen om de schepping. Ja, ons eigen geloofsleven laat soms te wensen over. We zijn ziek en hebben pijn. Maar dan nog, dan nog, dan nog blijven we zingen: dat God ons niet zal verdelgen. Aan Hem zij gloria.

 

Zijn woord zal ons genezen. Deze versregel verwijst naar Jezus die op diverse plaatsen in de Bijbel slechts één woord spreekt, waarna de zieke gezond wordt, geestelijk en of lichamelijk. In de rooms-katholieke liturgie wordt het elke zondag door alle gelovigen gezegd, vlak voordat men in de eucharistie brood en wijn ontvangt. Heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden.

 

Welk woord is genezend voor jou, voor u?

Is er een bijbeltekst, een lied, een andere tekst waarin je God zo hebt horen spreken, ook tot jou, dat je je genezen wist…? Denk er eens aan de komende week. En laten we God ervoor danken door het laatste vers te zingen.

 

Wij moeten Gode zingen
Halleluja,
de Heer van alle dingen
die leeft in gloria,
met alle stervelingen,
niets komt zijn eer te na,
wij moeten Gode zingen
Halleluja.