Tekst van de week

 

In de steek gelaten?

 

Preek gehouden op zondag 22 mei 2022
Tekst: Johannes 14, 22-29
Viering Maaltijd van de Heer

 

Voorganger: ds. H. Boersma

 

Gemeente van Jezus Christus,

 

Het kan je ineens zomaar bevangen. Het gevoel als gelovige aan je lot over gelaten te zijn. Natuurlijk, vorige week was het een feestelijke dienst met bloemen en rozen en vooral met mensen die zich willen inzetten voor kerk en gemeenschap. En toch kan een uitschrijving van een gemeentelid of een andere teleurstelling je ook zomaar bij de keel grijpen. Het wordt je angstig te moede. Omdat de kerk krimpt. Omdat Jezus wel heel erg lang geleden geleefd heeft en ook nog ’s in een tijd die zo ontzettend anders was dan de huidige. Omdat je de gemeente van vroeger mist, toen er drommen kinderen naar de nevendienst gingen. Omdat je je zorgen maakt over van alles en nog wat.

 

Hoe lang is het wel niet geleden dat je het echt helemaal zeker wist? Wanneer wat het ook al weer, dat gevoel dat je opgetild werd, dat Jezus of God heel dichtbij je was, dat je geloofsleven vol was, niet leeg, en dat we als gemeente zelfverzekerd waren, niet angstig.

 

Natuurlijk, zes weken geleden vierden we Pasen. Een geweldig feest. En op de zondagen erna hebben we uit de Bijbel gelezen hoe de opgestane Heer zich – zo onverwacht en ongedacht – aan zijn vrienden bekendmaakte. Wij deelden daarin, maakten als het ware mee … maar inmiddels is Jezus’ Hemelvaart aanstaande. Over nog maar vier dagen is het zo ver.

 

Dan is Jezus definitief niet meer onder ons. Nou ja, hij is er nog wel, maar op een verborgen manier, als een ervaring voor degenen die van Jezus houden, zo lezen we in Johannes, maar niet als onomstotelijke waarheid. Niet als een feit waar je gewoon niet om heen kunt. Een feit dat je kan zien en horen, meten, wegen.

 

Waarom moet dat nu zo, vraagt Judas. Het is niet de Judas Iskariot, die we kennen als verrader, maar een andere leerling van Jezus. Het lijkt alsof hij deze vraag stelt omwille van degenen niet tot de kring rondom Jezus behoren. Hij wil dat ook zij beseffen dat Jezus de levende opgestane Heer is. Maar ik denk dat Judas de vraag óók stelt omwille van zichzelf. Jezus als concrete aanwezigheid, zíjn lichtend licht voor iedereen zichtbaar, zijn liefde voor iedereen voelbaar. Zijn goede woorden, voor iedereen hoorbaar. Het zou alles allemaal zo veel gemakkelijker maken. Ook voor hemzelf. Om te blijven geloven, om trouw te zijn aan de kerk, niet angstig of ongerust, maar rustig en hoopvol.

 

Nu moeten hij en de anderen, nu moeten wij het doen met een aanwezigheid die niet aanwijsbaar is.

Wie het snapt mag het zeggen.

 

Het is bijna Hemelvaart. Jezus gaat weg, Hij gaat naar de Vader. En de eerste associatie van zijn leerlingen, van ons, is wellicht dat we in de steek worden gelaten. Hij gaat. Wij blijven. Maar Jezus zegt iets anders:

Wees juist blij, want de Vader is meer dan ik. En nergens zegt Jezus dat de Vader woont op een plek die hoger is dan de blauwe luchten, of ergens voorbij het zwarte gat of op een andere planeet. God de Vader woont in de hemel, ja dat is zo, maar hemel betekent in het verborgene, een andere dimensie dan die wij zo goed kennen. Niet te vatten in tijd en ruimte, niet te pakken in menselijke definities of formules, niet aards, maar goddelijk. De hemel gaat ons begrip te boven.

 

En Jezus gaat naar díe plek. En dat betekent dat de wolk die Jezus met hemelvaart opneemt geen ruimteschip is of vliegend tapijt, maar symbool van God: aanwezig, maar toch ongrijpbaar. Ervaarbaar maar niet vast te leggen. Dichterbij dan onze eigen adem, en meer levend dan onze eigen hartenklop.

 

Terwijl zijn vrienden vrezen of het gevoel hebben dat hij hen in de steek laat, zegt Jezus dat hij nog wel degelijk aanwezig zal zijn. Bovendien kondigt hij de komst van een helper aan, de Heilige Geest. Én hij belooft ook nog eens zijn vrede na te laten.

 

En die vrienden maar denken dat ze het alleen moeten doen. En wij maar denken dat we het alleen moeten doen. Omdat we vrezen dat hij daar is en wij hier, omdat hij ons verlaten heeft en wij dus zonder hem verder moeten. Terwijl hij hier is, in ons midden. Bij u, bij jou en mij. In ons hart, in ons bidden, in ons pogen zijn liefde te doen. Ja ,hij is er. Anders dan eerst, maar niet minder, eerder meer.

 

In Johannes kondigt Jezus aan dat hij en zijn Vader bij ons wonen. Wat zou er gebeuren, lieve gemeente, als we Jezus nu eens op zijn woord zouden geloven, hem dus op zijn woord zouden vertrouwen? Wat zou er gebeuren als we niet meer treuren om het verlies van zijn zichtbare aanwezigheid, maar moed putten uit zijn onzichtbare aanwezigheid? Wat zou er gebeuren als wij ons niet meer vastklampen aan onze eigen verwachtingen, aan onze behoefte aan zekerheid, ons verlangen naar een onovertroffen bewijs omdat we zo graag willen zien en horen dat Jezus er echt is?

 

Wat zou er gebeuren als we eenvoudigweg zouden erkennen dat Hij nu al de hoofdbewoner van onze gemeente is én de hoofdbewoner van ons hart? Wat zouden we dan voelen? Wat zouden we denken? Wat zouden we doen?

 

Zou dat niet het begin zijn van onze vernieuwing, onze omvorming, ons toegroeien naar onze bestemming, steeds meer gelijkend op Jezus?

 

Toch moeten we ook realistisch zijn. Want blijkbaar zijn we niet altijd in staat om Jezus op zijn woord te geloven. Ons vertrouwen op de onzichtbare aanwezigheid is niet bij voortduring krachtig. Vooralsnog zijn we mensen die soms twijfelen en ondanks al Jezus’ goede woorden snakken naar een zichtbaar teken, een gebaar, een ritueel, een sacrament dat ons zijn aanwezigheid te binnen brengt.

 

Godzijdank heeft Jezus ons dit teken gegeven in een stukje brood en een slokje wijn. Tekenen van Jezus’ dood en opstanding en tekenen van zijn aanwezigheid. Natuurlijk, het zijn verwijzingen. Brood en wijn zijn niet zelf heilig, maar beelden van dat wat en wie onze Heer is. Maar aan de andere kant kunnen we deze beelden wel zien en we kunnen ze vastpakken en proeven, voelen in onze slokdarm, in onze buik.

Opdat we ons niet ongerust maken. Opdat we de moed niet verliezen.

Amen