Tekst van de week

 

Geen sprookje

Tekst: Ezechiël 37, 1-14

Gemeente van Christus,

In de Efteling is ‘Het Spookslot’ een prachtige attractie. Als bezoeker kijk je vanuit een donkere ruimte naar een nagemaakte begraafplaats die door de maan verlicht wordt. Het is er stil en somber. En dan gebeurt het. De graven breken open. De dode lichamen komen tot leven. Ze dansen. 

Er hoort een mooi en bekend muziekstuk bij. Danse macabre heet het stuk, een macabere dans. Alles bij elkaar is ’Het Spookslot’ een spektakel voor oog én oor. Maar na zo’n  zeven minuten is het voorbij. De dode lichamen keren terug naar hun graven en de begraafplaats is zoals hij altijd is geweest. 

Je zou zo bij het horen van de bijbeltekst van zojuist aan deze attractie kunnen denken. Want een beetje macaber, een beetje luguber zijn die uitgedroogde beenderen die Ezechiël beschrijft wel. De hele tekst komt trouwens onwerkelijk en sprookjesachtig op mij over. En toch heeft de bijbeltekst niets, maar ook dan niets met sprookjes te maken. Ook niet met begraafplaatsen trouwens of met dansende geraamtes. In tegendeel zelfs. De bijbeltekst heeft te maken met ons leven hier en met ons leven nu. Onze samenleving is lamgelegd. Door een besmettelijke ziekte. Door angst voor deze ziekte. Door de strenge maatregelen. De teruglopende economie. De vrees voor tekort aan zorg, apparatuur en medicijnen.  Er zijn mensen die weken achtereen op de intensive care verblijven. Er gaan mensen dood. Er is rouw. De meesten van ons zitten thuis. Soms in alle eenzaamheid, soms ook met veel gezinsleden dicht op elkaar. Ook dat is niet eenvoudig. De Binder is dicht, de bibliotheek, het voetbalveld. En in de supermarkt lopen we als angstige schimmen langs elkaar heen. 

Natuurlijk houden we de moed erin. Natuurlijk vestigen we onze hoop op de juiste maatregelen, maken we het thuis zo gezellig mogelijk. Maar er zijn ook momenten dat de crisis je naar de keel grijpt. En dan kinkt er vanuit de Bijbel een oeroude klacht, een uitroep van een volk dat zich in een situatie bevindt die verdraaid op die van ons lijkt.
Onze botten zijn verdord, 
onze hoop is vervlogen, 
onze levensdraad is afgesneden.
Nee, het gaat niet goed met Gods volk. Een groot deel van de gemeenschap is door buitenlandse soldaten uit Israël gedeporteerd en zit dus gevangen. Niet in het eigen huis, zoals wij, maar in een ander land. De tempel is verwoest, families zijn uiteen gereten. Bijna niets is meer eigen of vertrouwd. 

En waar is God? Wat doet God?

Nu, uit de tekst van vandaag blijkt dat de menselijke ellende God niet onverschillig laat. Hij bagatelliseert de benarde toestand van zijn mensen niet, maakt het niet kleiner. God ziet het lijden en het verdriet en hij neemt dit alles oer-serieus. En dus komt Hij met een somber, én krachtig beeld. God vergelijkt de situatie van de mensen met een dal, een dal van dorre doodsbeenderen. 
Nee, daar word je niet blij van. Maar we worden wel serieus genomen. Door God. En … dat troost. Mij in ieder geval wel.
Trouwens. Dorheid en doodsheid zijn bij God nooit het einde. Want God vraagt aan Ezechiël én ook aan ons: kunnen deze beenderen weer tot leven komen? Net zo min als wij heeft de profeet geen antwoord paraat. Hij is onzeker. Hij weet niet of het goed komt met zijn land. Hij weet niet of hij en de mensen om hem heen ooit weer een normaal leven zullen leiden. Hij antwoordt daarom naar waarheid: Heer, mijn God, dat weet u alleen.
Maar voor God is daarmee de zaak niet afgedaan. Want als het aan God ligt, is niets doen en zwijgen onmogelijk. Als het aan God ligt moet Ezechiël spreken. Zelfs nu. Juist nu. Hij moet Gods woorden van liefde, trouw en leven verkondigen. Hij moet ‘God’ roepen, ‘hoop’ zeggen, vertrouwen wekken, moed inspreken. De Heer legt de profeet al deze woorden in de mond.
En Ezechiël doet hem wordt gevraagd. Hij spreekt. En dan. Ezechiël hoort wat. Het is een geruis van botten. Ze bewegen naar elkaar toe, En als hij goed kijkt ziet hij hoe de pezen zich aanhechten en het vlees op de botten groeit. Al deze beelden maken duidelijk dat de gemeenschap weer tot leven komt. Wat een geluk! 
Ook wij kunnen net als Ezechiël doen wat God van ons vraagt. Ook wij kunnen liefde verkondigen, liefde doen. Wij kunnen de medici en verzorgenden in onze omgeving steunen, elkaar bemoedigen, trouw de mensen te bellen die wel een telefoontje kunnen gebruiken, onderling de vrede te bewaren. Ezechiël doet wat God van ons vraagt. En wij doen wat God van ons vraagt. En het heeft nog zin ook. 
De dorre beenderen hebben inmiddels vlees en pezen.
En toch … ergens is er een grens. Ergens stuiten we op ons menselijk onvermogen. Het is een muur die we niet zelf kunnen doorbreken. We kunnen als mens veel … maar het coronavirus hebben we niet in onze macht. En ondanks de vele goede daden en medemenselijkheid, zijn we soms ook onrustig, driftig en boos. Soms zelfs zelfzuchtig. We stuiten op onbegrip bij onszelf en anderen. Want de crisis wekt blijkbaar niet alleen goedheid op. De crisis maakt ook bang en soms domweg onaardig.
Blijkbaar kunnen we niet alles zelf. Blijkbaar hebben we als mensen zo onze tekorten. In het beeld van de Bijbel: we hebben voor het werkelijke leven niet alleen vlees, pezen en huid nodig, maar ook adem. We hebben God nodig.
Wind, adem, Geest. In de Bijbel staat steeds hetzelfde woord: Ruach.
En zo horen we God de Heer zeggen: 
Kom uit de vier windstreken, wind 
en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven. 

De Bijbel vertelt hoe de lichamen worden gevuld met adem. 
Ze komen tot leven. 
Ze staan op. 
Een onafzienbare menigte. 

Ik weet het niet hoe het u vergaat. Maar op het moment dat ik deze woorden lees en hoor, is het alsof ik een briesje gewaar wordt. Een zuchtje wind. Het wordt sterker en sterker. En hoe meer ik me daarvan bewust ben, hoe meer ik ervaar dat God zijn Geest door mijn neus blaast, als levensadem, als hoop, als een niet te stuiten aanwezigheid, als belofte. 
En God zegt: 
Ik zal jullie naar het land terugbrengen. 
En jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. 
Wat ik gezegd heb, zal ik doen. 
Deze belofte. Gods belofte is mijn houvast. Ik hoop voor u ook. Amen