Tekst van de week

Een rood koord als teken

 

De E-meeting van zondag 8 december had als thema vlag. Want na de uittocht uit Egypte (breekijzer) en de doortocht door de woestijn (verrekijker) stond nu de intocht op het programma. En als het einddoel is bereikt, mag de vlag uit. Maar hoe is dat eigenlijk voor de mensen die al in dat land wonen? Vinden zij het leuk dat die arme zwervers naar hun rijkdom komen? Rachab is net als haar stadgenoten doodsbang. En toch doet ze iets wat ze nooit van zichzelf heeft gedacht.

 

Een monoloog door ds. Hetty Boersma op basis van Jozua 2

 

Rachab 72 dpi.jpg  

Ze hadden blijkbaar geen rode vlag bij zich. Daarom gaven ze me een rood koord. Ook lekker opvallend. Een vlag was misschien nóg duidelijker geweest, die kan je van een afstandje goed zien, maar dit koord zal vast genoeg zijn. Ik hang hem zo uit het raam. Als die buitenlandse invasie straks komt, dan weten die mensen in ieder geval dat in dit huis degene woont die goed heeft gedaan. Ook al was ik vreselijk bang. Ook al ben ik nog steeds vreselijk bang.

Jullie vragen je misschien af wie ik ben. Nu, ik ben Rachab. Ik heb zoals ze zeggen het oudste beroep van de wereld. Je mag op me neer kijken en ik vind het zelf ook niet echt jofel. Maar ik moet toch ook leven! Gelukkig woon ik in een stad waar het goed is. We hebben geld en spullen, een goede verzekering. We hebben een stadsmuur, een koning, een leger, stevige huizen en toch zijn we bang, toch ben ik bang, nog steeds.

Dat heeft te maken met wat er buiten onze stad gebeurt. Daar komt een volk aan. Het zijn zwervers, nomaden. Die willen in onze stad wonen. Ze hebben 40 jaar in de woestijn rondgetrokken. Veel geld zullen ze dus niet meenemen. Ze hebben vast honger. Ze willen van alles hebben. Ik vind ze eng. Straks maken ze een einde aan ons fijne leven.

 

Daar komt nog iets bij. Jaren geleden waren deze mensen geen zwervers, maar gevangenen of eigenlijk slaven. Dat was in Egypte. Een vreselijk leven hadden ze toen. De dictator van dat land heeft zelfs een keer alle pasgeboren kinderen van dat volk vermoord. En uiteindelijk heeft hun God ze toen bevrijd. Hij heeft er voor gezorgd dat de zee geen zee meer was. Ze konden zonder nat te worden naar de andere kant, maar de Egyptische soldaten die achter hen aan kwamen, verdronken.

En dat heb ik gehoord én onthouden. Want als die God zoiets kan, dan kan hij ook onze muren ineen doen storten. Ja, natuurlijk, wij hebben onze eigen goden… maar wat nu als die van hun sterker is? En wat nu als die God meer van zwervers en arme sloebers houdt, dan van mensen die het allemaal goed voor elkaar hebben?

 

Ik voel me angstig en bang. Misschien vinden jullie dat kinderachtig. Misschien kijken jullie wel op mij neer. Alsof jullie nooit bang zijn. Alsof jullie je geen zorgen maken over wat er allemaal gebeurt in de wereld. Van de rechter moeten kinderen van IS-ers terug naar Nederland. Maar zij zijn natuurlijk door hun ouders geïndoctrineerd en worden vast terrorist. Dat is zeker. Maar het risico is er wel. En de Russen dan, die deinzen voor niets en niemand terug, of de Chinezen.

 

Nou, oké. Misschien zeggen sommigen van jullie dat je nooit bang bent, dat je je nooit zorgen maakt, je heus wel redt. Maar heb je je dan nooit afgevraagd of je je niet vastklampt aan zekerheden die eigenlijk geen zekerheden zijn? Ja, geld, huis, verzekeringen, familie. Ze geven veilig gevoel … maar geven die als het erop komt echt definitief houvast…?

Maar laat ik verder gaan over mezelf. Ik had dus over angst. En op een dag stonden er ineens twee van die buitenlanders, van die zwervers bij mij in de kamer. Ze kwamen voor je weet wel. Dat heeft met mijn werk te maken. Maar ik snapte heus wel dat ze spionnen waren. Van dat enge volk, dat in ons land wil komen wonen.

 

Ja en toen heb is het dus gebeurd. Nou ja: het is niet gebeurd. Ik heb niet meteen de politie gebeld. Ik heb zelfs de waarheid niet gezegd tegen de soldaten van ons eigen leger. ‘k Zei dat die mannen al lang en breed weg waren. Terwijl ik ze had verstopt op het dak van mijn huis, onder het koren.

 

En nu vraag ik me dus af waarom ik dat gedaan heb. En hoe kán het dat ik dit heb gedurfd. Hoe heb ik het in mijn hoofd gehaald om twee wildvreemde mensen een schuilplaats te bieden? Ze hadden mijn huis wel kunnen leegroven. Trouwens, straks word ik vanwege landverraad opgepakt. Allemaal dingen die hadden kunnen gebeuren, die nog steeds kunnen gebeuren en toch deed ik wat ik deed.

 

Misschien is er toch iets of iemand dat dieper gaat dan mijn bangheid. Misschien is er toch iets of iemand die verder gaat dan vijandschap. Een zekerheid, veiligheid die meer omvat dan eigen huis en haard. Zou het met die God te maken hebben, de God van dat volk in de woestijn? De God van hemel en aarde? Ergens heb ik zo’n gevoel, een diep vermoeden dat deze God ook mijn God is.

 

En daarom heb ik ook durven vragen of ze mij en mijn familie wilden sparen. Ik had ze niet verraden en nu konden ze ook mij een gunst bewijzen. Gek hoe dat gegaan is. We waren vreemden van elkaar, hadden alle reden om elkaar niet te vertrouwen. Er was dreiging van beide zijden. En toch sloten we in aanwezigheid van de God van Israël een verbond. Dit rode koord is daarvan het teken. We staan voor elkaar in. We sparen elkaar.

 

En ergens hoop ik dat jullie door dit verhaal ook moed krijgen. Nee, ik weet het. Angst is niet kinderachtig. Angst is vaak terecht. Want je wil zekerheid, veiligheid, een plek om te bestaan. Als je denkt dat deze zaken worden aangevallen, dan sta je op scherp. Ik stond ook op scherp. En toch heb ik de spionnen niet verraden. Ze hebben mij ook niet verraden. De moed die ik hiervoor nodig had, heb ik van God gekregen. Ik hoop dat God jullie ook die moed geeft.