Tekst van de week

 

Altijd bij hem

Eeuwigheidszondag 22 november

Lezing: 1 Tessalonicenzen 4, 13-18

 

Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt,   zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.

 

Gemeente van Christus en gasten

 

“Hetty,” vroeg een vader in een vorige gemeente mij, zo een half jaar na het sterven van zijn dochter, “Hetty, waarom noem je de naam van mijn dochter niet meer in je gebeden in de kerk, terwijl dat je nog wel deed toen ze nog leefde?” Ik antwoordde de man naar eer en geweten: we bidden niet meer voor haar, omdat we geloven dat je dochter nu bij God is. Bij hem heeft ze het goed. Aan de reactie op zijn gezicht af te lezen, zat de rouwende vader op zo’n antwoord niet te wachten. Ja, ergens geloofde hij heus wel dat zijn dochter bij God was, maar ondertussen leed hij eronder dat hij haar naam steeds minder vaak hoorde, ook in de kerk, ook voor het aangezicht van God en zijn gemeente. Naarmate de tijd verstreek werd voor velen de herinnering aan haar vager en vager. En daar leed de vader onder. Want hij miste zijn dochter dag aan dag, ja, elke minuut. Hij miste haar zo erg dat de Bijbelse boodschap over een God bij wie zijn dochter nu was, hem niet troostte.

 

Met name vanwege deze vader en vanwege al die andere rouwenden die niet zomaar met een standaard christelijk antwoord uit de weg kunnen, ben ik dankbaar voor het bijbelgedeelte dat we zojuist gelezen hebben. Want Paulus reikt ons een toekomstperspectief aan waarin het gaat om het lot van de doden, maar zeker ook om het lot van de levenden, degen die  achtergebleven zijn, de vaders en moeders, kinderen, vrienden en vriendinnen. Zij moeten verder zonder de gestorvene. Soms met gevoelens van berusting en opluchting, maar soms ook met verdriet, gemis, boosheid.

 

Nu, het gaat Paulus dus ook om hen. Om u dus en om jou en om mij.

 

En Paulus zegt tegen deze achtergeblevenen, hij zegt tegen ons: er komt een tijd dat de pijn van het afgesneden zijn voorbij is. Dan zullen de doden én de levenden, met elkaar en met Jezus God tegemoet gaan en altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.

 

Hoort u, horen jullie, die woorden elkaar, met, bij, samen? Lees het anders thuis nog een keertje na. Dan zal het u opvallen hoe vaak de apostel deze verbindende woorden hier gebruikt. Want daaruit blijkt hoe bewogen hij is. En hoe hij niet zozeer gericht is op de enkeling, maar op de héle gemeenschap, de levenden en de doden. De doden en de levenden.

 

De mensen in Tessalonika waar Paulus zijn brief van bemoediging en troost in eerste instantie voor schrijft, hebben het zwaar. Er zijn vervolgingen. Wellicht kampen de gelovigen ook met armoede en andere grote zorgen. Misschien is het wel vanwege deze rottigheid dat de lezers van Paulus’ brief met zo veel hartstocht in Gods toekomst geloven. Die toekomst breekt aan als Jezus terugkomt. Daarvan zijn ze overtuigd. En vanaf dat moment zal er geen pijn meer zijn, noch de tranen, de zorgen, de ziekte, de dood. Ze zullen voorbij zijn. De Tessalonicenzen weten het zeker: deze geweldige dag is niet ver, niet over een paar duizend jaar, niet ergens aan het einde van de tijden. Nee, die toekomst van God staat voor de deur, staat zelfs op het punt aan te breken.  Maar wat nu met de doden…? Zullen zij niets van deze geweldige toekomst meemaken?

 

Zo op het eerste gezicht lijkt de situatie van de Tessalonicenzen weinig op die van ons. Wij worden niet vervolgd. En trouwens, ik ken niemand die verwacht dat Jezus snel terugkomt. En toch … bij nader inzien … Herkennen wij niet iets in het verlangen van de Tessalonicenzen? Hunkeren ook wij naar een einde van alle rottigheid? In de eerste plaats die in ons eigen leven, maar ik doel ook op de rottigheid in het leven van anderen, in heel Gods schepping. Jonge mensen die te vroeg sterven. Kinderen verdronken in de zee. Tieners die bang zijn en daarom alleen nog gewapend de straat op durven. Of is er een andere reden waarom ze keukenmessen en andere steekwapens bij zich dragen? En dan de dictators, machthebbers, bereid om over lijken te gaan. God, houdt het dan nooit op? Wanneer klinkt het signaal en laat u uw aartsengel zijn stem verheffen, wanneer laat u uw bazuin klinken? God, alstublieft, vernieuw uw schepping!

 

Verlangen naar het moment dat Gods zijn schepping vernieuwt. Het is als volhardend en hartstochtelijk wachten. Het is alsof je  je uitstrekt. Je rekt je hals en kijkt vol hoop uit naar de tijd en plaats waar die zeurende of stekende pijn voorbij is, waar volledige heling is. Waar God is. Je zult niet verloren zijn, maar geborgen. Niet alleen, maar verenigd. Met elkaar, met God.

 

Soms herken ik dat verlangen in mensen die een geliefde, ouder, kind of vriend hebben verloren aan de dood. Het verdriet, de boosheid, het gemis. Sommigen voelen dat bijna letterlijk in hun lichaam. Je houdt het haast niet uit en snakt naar een einde van de leegte. Je snakt naar verzoening, naar God.

 

Soms herken ik het verlangen ook bij mensen die op sterven liggen. Ja, de dood kan hard inbreken en verdriet doen. Degene die gaat voelt mee met de degenen die achterblijven. En toch kan het gebeuren – bijvoorbeeld bij oudere mensen, of bij ernstig zieken – dat er een ruimte ontstaat, een bereidheid tot overgave. De stervenden wachten dan berustend en kalm op rust, op een einde van de pijn, op God.

 

De levenden, de doden en de mensen op de grens van leven en dood. Al hun verlangen is volgens Paulus niet vergeefs. En dat alles vanwege Jezus, vanwege zijn leven, zijn sterven en zijn opstanding.

 

Ik denk aan hoe Jezus huilt om het lot van Jeruzalem. Het zal niet lang duren voordat die verwoest wordt. Jezus lijdt vanwege de stad en haar inwoners. Zo is hij God-met-ons. Ik herinner mij een intens verdrietige Jezus als hij hoort dat zijn vriend Lazarus gestorven is. Jezus rouwt met de rouwenden, hij is God-met-ons. En dan Jezus die zelf verraden wordt, die lijdt en sterft. Hij, God-met-ons.

 

En juist omdat hij Jezus dus niet ongenaakbaar is, maar omdat hij in al het goede, maar zeker ook in alle nood en dood God-met-ons is, juist daarom geloof ik ook dat hij in zijn opstanding God-met-ons is. Hij, de opgestane, doet ons opstaan, voert ons weg van het verdriet én van de dood, neemt ons mee naar Gods nieuwe creatuur. Naar de plaats en tijd waar alles goed zal zijn.

 

Nog even terug naar de vader waarmee ik deze preek begon. Terug naar zijn pijn, afgesneden te zijn van zijn dochter. Ik kon en kan zijn verdriet niet wegnemen. Maar ergens hoop én vertrouw ik erop dat hij in dit verdriet Jezus naast zich vindt. Hij, God met ons. Hij die niemand niet uit zijn hand laat vallen, de gestorven dochter niet, de levende vader evenmin, nee, geen van zijn schepselen. Tot in de eeuwen der eeuwen.

amen 

 

ds. Hetty Boersma