Tekst van de week

 

Vissen

 

Lezing: Matteus 4,12-22

                 

Gemeente van Jezus Christus,

De laatste dag van vakantie was prachtig. Mooi weer, een beetje wind. Die avond zou het vliegtuig naar Nederland vertrekken, maar Petra wilde ook deze laatste dag nog volop van genieten. Nog een keer het zwembad in, nog een keer een kopje koffie in het dorp, nog een keer de zee op, met de surfplank. Twee weken lang had ze elke dag van de golven, de zon en de wind genoten. En deze laatste kans wilde ze niet missen. Zoef daar ging ze. Het ging heerlijk. Het strand was al snel niet meer dan een witte streep aan de horizon. Ze moest nodig terug. Maar op het moment dat ze het zeil draaide, viel de wind weg. Geen zuchtje was er nog voelbaar. Daar was ze. Op zee, geen wind. Ver weg van haar gezin. Haar lichaam werd steeds kouder. Naarmate het langer duurde, en de pogingen om de peddelen steeds weer vergeefs bleken, bekroop haar de angst. De zee lieflijk, mooi en romantisch? Niets was er meer van over. Hoe lang zou het duren voordat iemand haar uit dit doodswater zou halen? Zou er überhaupt wel iemand komen om haar eruit te vissen?

Heel in de verte voer een boot. Met haar laatste krachten zwaaide ze, riep ze. Eigenlijk tegen beter weten in. Want hoe kon de bemanning haar ooit zien? Toen de boot van koers veranderde en op haar afvoer, kon Petra niet anders dan er de hand van God in zien.

De zee, niet als bron van vreugde en ontspanning, maar als macht van dood, duisternis en ondergang. Daar gaat het vandaag over. Matteüs noemt deze zee vandaag vier keer. Dat hebben we zojuist niet gehoord, omdat onze Nederlandse vertaling drie keer van ‘meer’ spreekt en slechts één keer van ‘zee’. Maar in het Grieks staat er gewoon vier keer thallassoo, kortweg: zee. Het staat er bijna onverschillig, als een soort bijzaak. Alsof het niet zou uitmaken op welke plek Jezus met zijn reddingswerkzaamheden begint.

Maar het tegendeel is waar. Jesaja voorspelt het al. Jezus eerste werkterrein is het gebied van Zebulon en Naftali. Het is volgens de schriften het gebied van de heidenen, de niet-joden. Het is ook het gebied van de vergetenen. Terwijl de elite in Juda en Jeruzalem zijn woonplaats vindt, zeg maar het Den Haag en Amsterdam van Israël, zijn de buitengebieden bestemd voor allen die zich daar niet toe rekenen. En hoe kan het anders? Juist in deze gebieden bevindt zich een groot meer, het meer van Galilea. Niet zo lieftallig als bijvoorbeeld de Oldemeijer, maar onberekenbaar als was het een oceaan.

De inwoners van Zebulon en Naftali wonen dichtbij de onberekenbare zee. Letterlijk én figuurlijk. Niet alleen is het water gewoonweg gevaarlijk. Ze leven ook in een uitzichtloze situatie. Ze zijn arm, ze kennen God niet en hebben geen uitzicht op betere tijden. Kortom, ze leven zoals Jesaja dat zegt  in de schaduw van de dood.

Die schaduw van de dood wordt dus ook uitgedrukt met de term zee. Helemaal in het begin – zo vertelt de bijbelse geschiedenis – is dat ook al zo. Dan is de aarde in zijn geheel verborgen in de zee, in watermassa’s, in vloed en oceaan. Alles is water. En dit water houdt het leven tegen. God, die juist en vooral een God van leven wil zijn, besluit daarom in een van eerste scheppingsdaden de aarde droog te leggen en het water te verzamelen in de daarvoor bestemde zeeën, meren en rivieren.

Maar ook na de schepping blijft de zee het leven bedreigen. Ten tijde van Noach vernietigt het water bijna alles wat leeft. Na een lange onheilzame tijd op de oervloed, laat God het water zakken. Hij schept droog land. Het eerste teken daarvan is het takje, meegenomen door een duif. Er is weer leven mogelijk.

In deze en vele andere bijbelverhalen staat de zee voor ondergang en dood. En hoewel wij hier in Gramsbergen hoog en droog wonen … ver boven de zeegrens, weten de meesten van ons ook hoe het is als de Vecht buiten zijn oevers treedt. We weten trouwens ook van al die andere machten en krachten die ons de adem benemen, die ons van de bron van leven drijven, naar beneden, naar rottigheid, zinloosheid, dood.

Wat zijn die krachten bij u, bij jou en mij? Misschien denk je aan die periode van huwelijksmoeilijkheden, toen je bijna elke dag, of misschien zelfs elk uur het gevoel had dat het water je aan de lippen stond. De macht van het verdriet was zó sterk dat het leek alsof je naar beneden werd getrokken. Zo boos was je en zo alleen. De pijn en het verdriet sloegen als golven over je heen. Je verdronk.

Maar er zijn ook periodes in ons leven dat we niet in de gaten hebben dat ons leven wordt bedreigt. Dan denken we dat we vrij en blij op het water surfen, maar ondertussen proberen allerlei machten en krachten grip op ons te krijgen. Ik denk bijvoorbeeld aan de macht van grote concerns als Google en Microsoft. O, wat is het fijn en gemakkelijk om dingen op te zoeken op de computer, om gebruik te maken van Facebook en Whatsapp. Maar ondertussen worden heel veel gegevens opgeslagen en gebruikt om ons te beïnvloeden. Soms lijkt het wel alsof de computer beter weet wat we willen dan we het zelf weten. Onze eigen wil raakt ondergedompeld. Onze eigen wil verdrinkt.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van machten die ons en onze medemensen minder menselijk maken, die ons weghouden van onze bestemming en ons doen wegdrijven. Weg van de kust waar het licht is, waar we zonder schroom kunnen geven en ontvangen, weg van genade, overgave en vreugde, weg van God, weg van elkaar.

Toch gaat het in het verhaal dat we zojuist gehoord hebben niet om ons. Om de machten die óns in de greep houden. Nee het gaat om de anderen, om de mensen om ons heen, dichtbij en veraf. Onze buren, onze collega’s, dorpsgenoten, onze broers en zussen in de gemeente. En dan vooral om diegenen die in meer of mindere mate geen uitzicht hebben, geen perspectief en die door de zee dreigen te worden verzwolgen. Want met het oog op hén heeft Jezus vissers nodig. Mensen als Simon Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes. Mensen zoals wij. Niet dat deze vissers zelf nooit bang zijn te verdrinken, maar deze vissers kénnen de woelige baren én ze kennen Jezus of beter: zij – en wij-  vertrouwen hem. En is daarom dat Jezus ons roept: kom en volg mij, word visser van mensen…!

Horen we het goed? Jezus zegt niet: vang mensen. Hij zegt ook niet: drijf die verschoppelingen in je fuik of strik ze in je netten of sla ze aan de haak. Want Jezus wíl niet vangen of gevangen nemen, hij wil net als zijn Vader in de hemel redden, bevríjden. Zoals Noach gered wordt uit de zondvloed, baby Mozes uit de Nijl en het volk Israël uit de Rode Zee. Zo wil Jezus de bedrukten, de verdrietigen, de mensen die het spoor bijster zijn, de egoïsten en geweldenaars en alle andere mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die dreigen te verdrinken, op het droge krijgen, dat wil zeggen, hij wil ze brengen naar zijn Koninkrijk van vrede en vrijheid.

En wij, zijn leerlingen, wij zijn geroepen hem daarbij te helpen. Wij zijn geroepen om in Jezus’ naam te vissen, dat wil zeggen te redden en te bevrijden. Wat dat betekent: nu, dat weet u zelf. Dat is spreken en handelen vanuit Gods liefde. Niet klem zetten met je eigen overtuiging, maar openingen bieden, zachtheid, vertrouwen. Het is je vooroordelen aan de kant zetten, praktische hulp bieden, een luisterend oor. Ik denk dat u en jullie zelf genoeg manieren weten hoe je matroos kan zijn op de reddingsboot waarvan Jezus de kapitein is.

En nu ga ik eens niet in op alle bezwaren die er als vanzelf in ons opborrelen. Dat we onmachtig zouden zijn, dat we niet op de voorgrond willen treden of te moe zijn of te teleurgesteld om deze visserstaak op ons te nemen. Nee, ik ga er niet op in. Want in het evangelie van vandaag staat dat Jezus roept en dat de vier broers meteen hun netten verlaten en volgen. Jezus geeft niet eerst allerlei adviezen. Hij geeft ze zelfs geen bovennatuurlijke krachten. Er staat ook niet dat de vier broers altijd al hadden gehoopt op een carrière buiten de visserij en dat ze daarom zo bliksemsnel meegaan. Nee, er staat dat ze Jezus’ stem horen en dat ze Jezus volgen. Blijkbaar is die stem voor hen genoeg. Ik hoop voor ons ook. Amen