Tekst van de week

 

 

 

Preek gehouden op 4 juli 2021 tijdens de ochtendienst

Tekst: Johannes 5:31-47

 

Voorganger: ds. A.B. Broekman

 

 

Gemeente van Christus,

 

De liefde. Er is geen thema dat meer bezongen wordt dan de liefde. We weten allemaal wat het is, en ieder mens heeft liefde nodig. Als je geen liefde ontvangt, dan kan er een heleboel met je misgaan. Wie te weinig liefde heeft ontvangen, kan psychisch behoorlijk in de problemen komen.  Het ontvangen van liefde is een eerste levensbehoefte. Toch kun je geen sluitende definitie geven van de liefde. Het is in eerste plaats een gevoel, en daar loopt het verstand op stuk.

 

Kijk maar eens wat er met je gebeurd als je de liefde van je leven tegenkomt. Dan slaat alles op tilt. Je kunt alleen maar denken aan die persoon. Je vraagt je af, waar die zich mee bezig houdt, en je wilt niets liever dan in de nabijheid van je geliefde zijn. Je hele focus is gericht op die persoon.

 

In het begin weet je niet of het wederzijds is. Dat is zo’n verschrikkelijke periode, want wat ben je dan kwetsbaar. Je hebt je meest intieme gevoelens voor iemand, maar wat als die gevoelens niet wederzijds zijn? Dan loop je een blauwtje, en dat is niet zo fijn. In de liefde gaat het immers om hele tere gevoelens.

 

Als het wel zo is, dan loopt de telefoonrekening flink op. Uren en uren bellen, en als je gebeld hebt dan kun je daarna nog uren appen. Je bent geheel op elkaar gefocust. Je bent dan helemaal in de wolken, en goed denken lukt niet. Het is net of je verstand een overdosis heeft gekregen aan gevoel.

 

In de jaren tachtig zong Doe Maar al dat liefde een vreemde ziekte is. Het is niet alleen leuk, maar het heeft ook een rare uitwerking op de mens. Zo heeft het op mij de uitwerking dat ik geen hap meer door mijn keel krijg. Daarnaast kan ik ook hele nachten wakker liggen. Je vraagt je soms af of het leven ooit weer normaal wordt. Je bent jezelf niet meer.

 

De evangelist Johannes wordt wel de evangelist van de liefde genoemd. In zijn brief schrijft hij dat ‘God liefde is’. Hierbij sluit hij aan bij de Oudtestamentische gedachte dat we met ons gehele leven God zijn toegedaan. Er zit dus een overeenkomst in hoe we als mensen elkaar liefhebben en dat we geloven in God. Geloven en liefhebben liggen dicht bij elkaar.

Ook daar zien we dat er een focus is op God, en dat betekent dat allerlei afgoden moeten wijken. Als God met afgoderij wordt geconfronteerd, dan gedraagt God zich als een afgewezen geliefde.

 

Israël is Gods uitverkoren volk, omdat God het lief heeft. Het heeft geen buitengewoon hoogstaande moraal of cultuur. Het is Gods lievelingetje. Een andere verklaring is er domweg niet. Het is dan ook niets voor niets dat de verhouding tussen God en Zijn volk vaak wordt beschreven als die tussen een bruid en een bruidegom.

 

Er zit hier een probleem met Jezus. Jezus vertegenwoordigt God, hier op aarde als het levende woord. Hij belichaamt Gods liefde. Hij en God liggen in elkaars verlengde. Steeds wordt er benadrukt dat Hij en de Vader één zijn. Hij kan niets doen buiten de wil om van de Vader. We lezen in Johannes 1: 11: ‘Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen’.

 

Het lijkt erop dat het hier gaat om het joodse volk. Het joodse volk heeft Jezus niet aangenomen. Toch is het de vraag of het zo simpel is. Hij kwam tot de Zijnen. Uit het vervolg van dit verhaal zal blijken dat het gaat om Jeruzalem. Het gaat om de tempel, met de bijbehorende priesters en Schriftgeleerden. Dit het centrum van de joodse Godsdienst. Hier zitten de beroemde Schriftgeleerden, die zich dag in dag uit in de Heilige Schrift te verdiepen. Als je in de orthodoxe wijk in Jeruzalem komt, zie je dat nog steeds.

 

Jezus verwacht dat deze mensen Hem herkennen en erkennen. Ze hebben hun hele leven in dienst gesteld van God. Ze doen niets anders dan lezen uit Gods Woord en bidden. Nu worden ze met het levende Woord geconfronteerd. Er zit geen licht tussen het leven van Jezus en waar zij zich dagelijks mee bezighouden, maar ze willen niets van Hem weten. Wie mij heeft gezien heeft de Vader gezien, maar ze zien het niet. Hij kan hen nog veel meer vertellen.

 

Ze geloven er helemaal niets van. Ze zijn van mening dat Jezus veel te hoog van de toren blaast. Hij moet maar bewijzen dat Hij is, wie Hij is. Volgens meerdere teksten uit het Oude Testament is een bewering pas waar, als deze ondersteunt wordt door twee of drie getuigen. Dus er wordt hier gezegd dat Jezus maar met getuigen op de proppen moet komen, en zo niet, dan hebben ze geen boodschap aan Hem.

 

Jezus erkent dit. De God zoals die in het Oude Testament beschreven wordt, is dezelfde God die Hij Zijn vader noemt. Hij zal dan ook met getuigen komen, al is er maar één getuigenis dat telt. Dat is de getuigenis van Zijn hemelse Vader. Niettemin zal Hij komen met getuigen.

 

Hij wijst naar Johannes de Doper. Johannes de Doper sprak met gezag. Hij was bij het volk geliefd. Bij de Schriftgeleerden en de Farizeeën was hij niet geliefd. Hij had hen adderengebroed genoemd. Net als Jezus, stond hij op gespannen voet met de tempel. Toch stond hij bij het volk in hoog aanzien en werd hij gezien als een profeet. Als dit niet werd erkent, zou het volk zich tegen hen keren.

 

Jezus wijst naar Johannes, die Hem heeft aangewezen als degene die na hem komt, en van wie hij niet waardig was om de riemen van zijn sandalen aan te raken. Johannes wordt door Jezus een lamp genoemd. Dit is een beeld dat vaak werd gebruikt voor profeten. Door hen heen kon het licht van Gods goedheid schijnen. Door hen mocht er wat van Gods waarheid oplichten in een duistere wereld, waar God niet gevonden wordt.

 

Het is een voorrecht dat zij konden leven in een tijd dat Johannes leefde. Er was een lamp. Er zijn tijden geweest dat er geen profeten waren, en dat Gods woord schaars was. Dat gold niet voor hen, maar ze luisterden niet. Johannes was duidelijk en hij wees richting Jezus.

 

Daarnaast wijst Jezus naar de tekenen, die Hij heeft gedaan. Jezus lost niet als een goochelaar alle problemen van de wereld op. Hij geneest niet alle zieken die er zijn. Wat we wel zien, is dat Jezus wat laat zien van Gods liefde voor een gevallen mensheid. We zien het voor een verlamde bij het bad van Betesdha. We zien het voor een Samaritaanse vrouw die door iedereen wordt geminacht. We zien het op een bruiloft te Kana waar de wijn op is.

 

Het zijn tekenen van Gods koninkrijk dat op doorbreken staat. Wie goed kijkt, ziet daar onmiskenbaar Gods hand in. Jezus doet dus geen trucjes om de mensheid te vermaken, maar Hij laat zien dat er ooit een tijdperk aanbreekt waar er geen plek meer is voor verdriet en waarin het kwaad definitief overwonnen zal worden. In de wonderen zien we dat God het goede met ons voorheeft. God strekt zich liefdevol uit naar ons mensen.

 

God getuigd van Jezus door de wonderen heen. In één van die wonderen kwam dat heel duidelijk naar voren. Als Jezus gedoopt wordt in de Jordaan gaat de hemel open. De Heilige Geest daalt op Hem neer in de gedaante als een duif. Dan is er een stem die zegt dat deze Jezus Zijn geliefde Zoon is. Kun je het nog duidelijker op een presenteerblaadje krijgen aangereikt? De Vader heeft zelf van Hem getuigd, en Hij heeft de goedkeuring van mensen niet nodig.

 

Dat is eigenlijk wel wat hier speelt, en dat is wel wat Jezus in twijfel trekt. Dat speelt in ons leven toch ook vaak een rol. Als mens wil je graag erkenning, en af en toe horen dat je het toch wel goed doet. Je bent, hoe we het ook wenden of keren, op zoek naar bevestiging. Geloof me, dat heb ik ook. Ik hoor ook graag dat ik het goed gedaan heb. Mooie preek, dominee. Ik weet dat ik het kan, maar de ene keer gaat het mij beter af, dan de andere keer.

 

Het gevaar ligt hier echter op de loer dat je afhankelijk wordt van die waardering. Mensen hebben verwachtingen, en je wordt pas geaccepteerd op het moment dat je die verwachtingen waar maakt. Hoe vaak hebben we dat niet op het werk? Voldoe ik wel? Of moet het anders? We zien het op school. Daar moet je aan de verwachtingen voldoen van je medeleerlingen, en je docenten. Deze verwachtingen kunnen dan heel beklemmend werken.

 

Ik heb een boek in de kast staan over het succes dat je als manager kunt hebben, niet door allerlei verwachtingen te hebben van je mensen, maar juist door ze vertrouwen te geven. Laat mensen doen waar ze goed in zijn, waardoor ze nog meer vertrouwen krijgen. Dan zie je mensen groeien en bloeien. Dan zie je dat verwachtingen niet als een zware last op je schouders drukken, maar dat je mensen in hun kracht laat staan.

 

Jezus heeft die menselijke verwachtingen niet nodig, omdat Hij weet dat Hij en de Vader één zijn. Daarom verwijst hij ook als laatste naar Mozes. Deze Schriftgeleerden maken deel uit van het uitverkoren volk. In tegenstelling tot de heidenen, kennen zij Gods wil. Mozes sprak met God. Hij had toegang tot God. De woorden van Mozes worden elke dag door deze Schriftgeleerden onderzocht, maar deze woorden brengen hen niet dichter bij Jezus.

 

Ze beroepen zich op Mozes, en zeggen dat deze Jezus op grond van wat zij lezen bij Mozes, niets met de God van Israël te maken kan hebben. Jezus zegt echter dat ze zich vergissen. Zij beroepen zich op Mozes, maar als zij werkelijk dezelfde ervaring hadden als Mozes, dan wisten ze dat Mozes naar Jezus wees.

 

Ze hebben het echter niet. Hun godsdienst is mensenwerk geworden. Het is een gesloten systeem. Als Hij gekomen was in zijn eigen naam, dan zouden ze Hem aannemen, maar nu Hij gekomen is in de naam van de Vader nemen ze hem niet aan. God mag alleen God zijn zolang Hij aansluit bij wat ik ervaar en ik leuk vind. En zo maken we een beeld van God, dat precies past bij onze eigen wensen en verwachtingen.

 

Daarmee maak je eigenlijk een afgod. Een gevaar dat ook binnen de kerken op de loer ligt. God is pas God als ik aangesproken wordt, en ik het leuk vindt. Maar dan is God geen gelijke partner in de relatie die wij met Hem hebben. Hij wordt dan ondergeschikt aan onze verwachtingen.

 

Hier in deze tekst zien we het ook. De tempel is een instituut geworden, met regeltjes. Op zich hoeft dat niet fout te zijn, maar hier wordt God opgelost in een religieuze organisatie. Mensen die werken in de kerk, en in de kerkenraad hebben gezeten, weten dat kerkenwerk soms aanvoelt als werk. Er moeten gewoon klussen worden geklaard, maar als je niet oppast dan wordt het alleen maar werk. Soms ook werk waar een klein clubje mensen onder bezwijkt, omdat er te veel is, en er te weinig mensen zijn die het willen doen.

 

Dan kan de eerste liefde uitdoven, en ik zie dat dat hier gebeurt is. Het is net als bij de liefde. Het begint bij het gevoel. En door dat gevoel gaan we een relatie aan. Vaak is dat ook de belangrijkste beslissing in ons leven. Maar liefde is niet alleen maar gevoel. Er moeten ook raakvlakken zijn. Er moeten zelfde interesses zijn. Je leeft niet je hele leven op die roze wolk. Qua denken, en ook geloof is daar een onderdeel van, moet je ongeveer op dezelfde lijn zitten.

 

In dit Bijbelgedeelte doet Jezus niets anders dan zeggen dat de God waarvan ze zeggen dat ze die dienen en Hij op dezelfde lijn zitten. Hij bewijst dat door te wijzen naar Johannes de Doper, naar zijn wonderen en naar wat Mozes geschreven heeft. Het komt echter niet binnen, omdat ze uiteindelijk zichzelf zoeken. Ze staan niet in relatie met God.

 

Ze missen die eerste liefde. Het gevoel, dat voor het verstand uitgaat. Ik weet niet hoe dat bij u zit. Ik heb mij altijd thuis gevoeld als kind als ik in een kerk kwam. Dat oude gebouw had iets mysterieus, en ik wist dat mijn ouders en grootouders daar steun vonden. Ik genoot van de verhalen die ik te horen kreeg op de zondagschool en ik ging helemaal op in mijn rol tijdens het kerstspel. Natuurlijk ging ik naar catechisatie omdat het moest, en omdat je ouders niet teleur wilde stellen, maar op een bepaald moment kom je er achter dat het je niet meer loslaat. Je kunt niet meer zonder. Net als bij de liefde ben je nu gefocust op de ander. In dit geval God.

 

Zo is het ook bij Gods liefde voor ons. God wil een God van liefde zijn voor ons. Hij strekt zijn handen naar ons ons uit. Onze kleine heeft soms behoorlijk kast van krampjes. Je ziet dat hij dan pijn heeft, en dan kruipt hij helemaal tegen mij aan. Je kunt eigenlijk helemaal niet zoveel doen, en je voelt je dan ook machteloos. Toch heb ik gemerkt dat hij doordat ik er voor hem ben, hij rustiger wordt. De nabijheid van iemand die om je geeft.

 

Zo denk ik ook dat het zit met Gods liefde voor ons mensen. Soms schieten wij door het leven ook in de kramp. We weten niet meer waar we het zoeken moeten. Toch blijkt er dan een God te zijn die de ware liefde belichaamt, waar je kunt wegkruipen als mens. In het leven van Jezus komen we die God bij uitstek tegen. Ik geloof dat het deze liefde is, die God voor ons mensen heeft. Zo wil God ons tot een God zijn. Hij wil dat Zijn liefde beantwoord wordt. Misschien vraagt dit van ons om een stapje terug te doen, en te kijken waar en wanneer we wat van Gods liefde in ons leven hebben ervaren. Johannes sluit dit evangelie af door zich tot Petrus te richten, en Hem indringend te vragen of hij Hem waarlijk lief heeft. Deze Schriftgeleerden zijn God ergens kwijtgeraakt, en dat kan zeker ook in religieuze organisaties, maar het gaat er om hoe wij antwoorden op je vraag die Jezus Petrus voorlegt. Heb je me werkelijk lief? Jij, ik wij met elkaar? Een vraag die dichtbij komt, maar die wel doordringt tot de kern van de zaak.

 

Amen