Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het óf óf denken zit diep in ons mens-zijn verankerd. De dingen zijn of wit óf zwart, of goed óf slecht. Je bent de oudste in het gezin of niet. Je bent Nederlander of niet. Je bent slim of je bent het niet. Door verschil te maken, onderscheid, door te denken in óf het een óf het ander kunnen we de wereld en onszelf snappen. We maken een indeling die de zaken overzichtelijk en begrijpelijk maakt. Een 0 kan niet tegelijk 1 zijn en water geen lucht. En dus hoor je of bij de kerk of je hoort niet bij de kerk. Of je gelooft in God of je gelooft niet in God. Of je geeft je over aan de liefde van de hemelse vader of je keert je van hem af. Eenvoudig toch?

Was het maar zo eenvoudig. 

Waren wij mensen maar zo eenduidig als de herder in de gelijkenis van Jezus, de vrouw die haar muntstuk zoekt en de vader van de twee zonen. Alle drie hebben ze maar één focus; en dat is zoeken wat verloren is. Al deze drie figuren staan symbool voor God. Hij zoekt, hij wacht, zij zet het hele huis op de kop. Alles, werkelijk alles heeft God ervoor over om ons te vinden, te ontvangen, thuis te halen. Vergeleken met Gods zoeken naar óns is ons eigen zoeken tweeslachtig. Ja, in zekere zin zoeken wij God heus wel, misschien, even, af en toe…maar ook heel vaak niet. Er zijn zo veel andere dingen die ook belangrijk zijn. We hebben het druk met van alles en nog wat …ja, soms hebben we tijd om ons met de bron van ons leven bezig te houden. 

Daar komt nog bij dat de eenduidige liefde van God bij ons geen eenduidige gevoelens oproept. Want enerzijds lijkt ons niets beter dan bij de bron te zijn, gekend en geborgen. Dichtbij God. Maar in ons huist ook een zoon die wegloopt, zich los maakt, vrij wil zijn. Én, in ons huist ook de zoon die uiterlijk gezien trouw is aan geloof en kerk, maar innerlijk van God verwijderd is geraakt.  

En terwijl beide zonen hun bron van leven verlaten hebben, zoek raken, speurt de vader met zijn ogen de horizon af. Hij wacht op zijn jongste, gaat op zoek naar zijn oudste. Heel zijn hart gaat naar hen uit. Hij reikt, hij hoopt, hij smeekt en vraagt. Hij hunkert ernaar dat zijn kinderen huiswaarts keren, dat zijn liefde beantwoord wordt.

Kwetsbaar is de vader in zijn liefde. Hij kan zijn kinderen immers niet tot wederliefde dwingen. Ja, hij zóu zijn jongste bij de lurven kunnen pakken en bij de varkens vandaan kunnen halen. Hij zóu de oudste kunnen verplichten om het feest mee te vieren. Maar de vader zou daarmee zijn identiteit verliezen. Hij zou geen liefde meer zijn. 

Wie is die jongste zoon in Jezus’ gelijkenis? Nee, laten we het niet hebben over de ander. Laten we nu niet gaan praten over de mensen die de kerk verlaten hebben of anders zijn gaan geloven, of over degenen die maatschappelijk niet deugen. Laten we het hebben over onszelf, over dat deel van onszelf dat zich losmaakt van het vaderhuis, dat in een leven terecht komt dat geen leven is.

Want dat is wat er in het verhaal gebeurt. In de tekst staat dat jongste zoon zijn vader vraagt om zijn deel van het bezit. Maar letterlijk staat er dat de zoon aan zijn vader zijn deel van het bestaan vraagt. Vervolgens staat er: en zijn vader verdeelde het leven onder de zonen. Blijkbaar maakt Jezus in zijn gelijkenis onderscheid tussen bestaan en leven. Leven is in zijn ogen dus dan bestaan als zodanig. Er is ook bestaan dat geen leven is. Je kunt zo met het bestaan omspringen dat je geen leven meer hebt. En zo gebeurt het. De gelijkenis vertelt over een zoon die dood gaat en weer levend wordt.

Zit er ook zo’n iemand in mijzelf? In eerste instantie lijkt het er niet op. Jezus vertelt immers dat de zoon alles te gelde maakt en verbruikt. Verkwist zelfs. Aan een losbandig leven. Zelf ben ik niet zo’n verkwister en ik ben ook niet zo losbandig. Hierdoor zou ik de jongste zoon weer buiten mijzelf kunnen plaatsen. De jongste dat ben ik niet, dat is die schuinsmarcheerder! 

Maar durf ik dieper te kijken, ook naar mezelf, dan begrijp ik dat het Jezus niet zozeer gaat om geldverspilling, maar om het verspillen het leven. Ik vraag aan mezelf: Op welke momenten besta ik wel, maar leef ik niet? Niet echt? Niet voluit. Hoe vaak komt het voor dat ik wel van alles doe, maar dat ik dat zonder bezieling doe, zonder me bewust te zijn van de adem van God, van zijn liefde die mij schept en mooi maakt… Hoe eerlijker ik deze vraag voor mezelf  beantwoord, hoe zekerder ik ben. De jongste zoon, dat ben ik.

En ondertussen wacht de vader. Hij speurt met zijn ogen de horizon af, wachtend op de terugkomst van zijn kind. Heel zijn hart gaat naar hem, naar mij, naar u uit. Heel zijn hart gaat ook open als hij zijn zoon ziet komen. Hij krijgt medelijden staat er in onze bijbelvertaling. Maar medelijden is wel een heel zuinig woord voor wat er in het Grieks staat. Want het Griekse woord heeft te maken met iemands ingewanden. De vader is innerlijk geraakt, tot in zijn diepste binnenste bewogen. Niet met wraak, oordeel of straf. Enkel met liefde. 

De jongste zoon is dat deel van onszelf dat zich losmaakt van de bron van liefde. Dat deel dat maakt dat we wel bestaan, maar niet leven. De jongste zoon is levend dood. Is het met oudste zoon veel anders?

Ik denk dat de meesten van ons wel iets van de oudste zoon in zichzelf herkennen. Geregeld naar de kerk gaan. Vrijwilligerswerk doen. Af en toe geld schenken aan een goed doel. Over het algemeen doen we het niet zo slecht…toch?  We betalen onze belastingen en ergeren ons aan mensen die dat niet doen: de graaiers, de criminelen, de rijken die hun geld naar belastingparadijzen sluizen. Zo vreemd is het niet dat we daardoor denken dat wij bij de God van liefde en recht toch wel een streepje voor zullen hebben. Want zo gaat het als we spreken over iemand die goed werk doet. Die heeft toch echt wel een plaatsje in de hemel verdiend. 

En dan gaat de Bijbel open en lezen we dat Gods ontferming reikt tot aan de uiteinden der aarde. Iedereen, echt iedereen – dus ook degenen die wij verguizen - mag terugkeren naar hem, mag vergeving vragen én ontvangen, mag zich laten vinden door grenzeloze liefde. 

En dat vindt de oudste zoon in ons toch uitermate lastig. Hij kan de aandacht van zijn vader voor de jongste niet uitstaan. Zoals ook Jona het niet kan uitstaan dat God Ninevé vergeeft. O, wij zéggen wel dat we afscheid hebben genomen van de God van toorn, oordeel en straf, maar diep in onze ziel is dat niet zo en wensen we onze vijand zo veel mogelijk toorn, oordeel en straf toe. In ons huist een verongelijkt kind dat het God kwalijk neemt dat hij uiterst kwistig is met zijn liefde. Ik wist het wel, zegt Jona, u bent een God die ​genadig​ is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot ​vergeving​ bereid. Deze prachtige woorden bedoelt Jona niet als lofzang, maar als verwijt. Jona wil zelfs liever sterven, dan dat hij moet aanzien hoe God Ninevé spaart. Zo blijft ook de oudste zoon liever buiten klappertanden dan dat hij feest viert met de teruggekeerde broer. 

Over levend dood zijn gesproken. Blijkbaar is dit niet alleen de situatie van de jongste zoon, maar ook van de oudste. 

Maar ondertussen heeft de vader het huis al verlaten. Hij gaat het veld in, op zoek naar deze oudste verloren zoon. Heel het hart van de vader gaat naar hem uit. Kom naar huis, zegt hij, we moeten feest vieren. Want je broer was dood en is weer levend geworden. 

Jezus reikt ons vandaag met zijn gelijkenis een spiegel aan. We lezen en horen het verhaal en door de gelijkenis heen zien we onszelf. We herkennen in onszelf het kind dat wegtrekt, zich afwendt van Gods liefde én we herkennen in onszelf het jaloerse kind, dat God verwijten maakt. Blijkbaar kan dat. We zijn niet zus of zo, niet het één of het ander. Maar we zijn én de een én de ander. En dat maakt ook dat ik u durf uit te nodigen om nog even wat langer bij het verhaal te blijven en in de spiegel kijken. 

Ja, ik weet het, de spiegel is wazig, Maar toch, kijk nog maar eens goed. We zien de zonen in onszelf die het laten afweten, die weglopen, vol verwijt zijn. Maar ontwaren we niet ook ergens de wáre zoon? In de Bijbel is hij aanwezig. Hij is degene die het verhaal vertelt, Jezus. Deze ware zoon is door en door vervuld met liefde. Bij deze zoon is de verbinding met God en ons nooit verbroken. En ik geloof dat niet alleen de oudste en de jongste zoon in ons huizen, maar ook de ware zoon. Door hem, in hem en met hem bestáán wij niet alleen, maar leven we ook. In liefde. God zij dank. 

Amen