Zondag 20 oktober 2019

 

Lezing 2 Samuel 6

                       

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het gaat goed met David. Na een lange strijd met Saul en andere opstartproblemen is hij eindelijk op de plek gekomen waar hij hoort. Op zijn troon, in het paleis, in Jeruzalem. Veertig jaar zal hij regeren. En zelfs vele, vele eeuwen na zijn dood zullen de mensen hem noemen als de enige echte grote koning van Israël. Maar hoe geweldig en succesvol Davids carrière ook verloopt, er ontbreekt iets. De ark van het verbond, teken van Gods aanwezigheid, is er niet. In de oorlog tegen de Filistijnen is deze kist met de tien geboden in handen van de vijand gekomen. Nu staat hij in Juda. David vindt dat zijn koningsschap pas compleet is als ook het goddelijk symbool terug is. Want met de ark in Jeruzalem is voor het volk én voor de andere volken duidelijk dat ook God Davids koningschap steunt.

David pakt het groots aan. 30.000 man brengt hij op de been én een fanfare met de beste muzikanten. De koning is zo druk met de organisatie van het religieuze spektakelstuk dat hij God zelf vergeet. Een offer aan de Heer heeft hij namelijk niet in zijn plannen opgenomen. Ook Gods eigen regels lapt hij aan zijn laars. Volgens die regels – die in Leviticus zijn na te lezen – moet de ark namelijk gedragen worden door priesters. Maar David vindt een nieuwe wagen veel mooier én efficiënter. Sterke ossen trekken het voertuig voort.

Onderweg lopen de ossen het karrespoor af. De wagen wankelt en de ark dreigt te vallen. Eén van begeleiders, Uzza, houdt hem met zijn hand tegen. Dit wekt de woede van God. Hij wordt zo kwaad dat Uzza dood neervalt.

David is uiterst verontwaardigd. En misschien wij ook wel. Want hoe is het mogelijk? Uzza deed toch gewoon zijn best? Waarom straft God zo hard en onbarmhartig? Waarom straft God sowieso? Het enige wat Uzza wilde, het enige wat Uzza heeft gedáán, is God een val in de smerige modder besparen…

Want dat zit bij Uzza en bij veel mensen, en misschien ook wel bij ons, ingebakken. We willen Gods aanwezigheid reserveren voor de plaatsen die wíj voor God geschikt vinden: een mooie wagen bijvoorbeeld, of de kerk of bepaalde heilige plaatsen of misschien de schoonheid van de natuur... Dat Jezus juist in een smerige stal geboren wordt, dat hij later met hoeren en tollenaars aan tafel zit. Dat God zich juist laat vinden bij mensen en op plaatsen waar wij onze neus voor ophalen, dat blijft een lastig, maar ook elementair onderdeel van het Bijbelse geloof.

Uzza wil God een val in de modder besparen…terwijl dat juist Gods weg is: vallen tot in de diepste diepten van ons leven.

Om ons daar te behoeden en te bewaren. Want zo is het. Het is niet aan ons om voor God te zorgen. God zorgt voor ons.

David komt als in een flits tot inkeer. Is hij in het ene bijbelvers nog verontwaardigd, in het volgende wordt hij bang voor God. Beter vertaald zou zijn: hij vreest God. Hij heeft ontzag voor hem. Dit ontzag leidt tot een bezinningsperiode van drie maanden. Daarin realiseert David zich: als ik de ark naar Jeruzalem haal, dan moet het anders. Want God is er niet om míjn koningschap wat meer glans en diepgang te geven. Nee, ik ben er voor hem, Ik ben dankzij hem. Aan God de eer en de glorie.

En zo gebeurt het. De tweede keer wordt de ark eerbiedig vervoerd. Niet gereden, maar gedragen. En na elke zes stappen, offert David aan God een stier en een koe. En dan begint David te dansen.

Het dansen van David staat lijnrecht tegenover het tegenhouden van de ark door Uzza. Uzza wil de ark, dat wil zeggen God, onder controle houden. Zeker, zijn bedoelingen zijn goed, maar ergens is Uzza ervan overtuigd dat God afhankelijk is van zijn behoedzame hand. De dansende David heeft geen controle, niet over hemzelf en al helemaal niet over God. Dansen doe je misschien een beetje met je hoofd, maar vooral ook met je lijf, ja, met heel je hebben en houden. Niets heeft David in eigen hand. Hij is in Gods hand.

Wij dansen niet in onze kerk. Dat is misschien meer een kwestie van cultuur en gewoonte dan van geloof. Maar de overgave die David in zijn dans uitdrukt. Missen wij die niet net zo goed? Als mensen van deze tijd laten wij ons snel bepalen door vragen, aarzeling, twijfel. Wij zijn gewend om als het gaat om geloven en God stil te staan bij de mitsen en maren. Overgave lijkt zo onverstandig, zo kinderachtig zelfs. En daar komt nog iets bij. De meesten van ons vinden geloof belangrijk. We vinden God belangrijk. Maar dat dan meestal wel op onze voorwaarden. God moet wel netjes op de wagen blijven of in kerk, en zich niet ineens met onze boterham bemoeien of ons werk, onze keuzes wat betreft vakantie, vriendschappen, vrijwilligerswerk. Ons echt overgeven aan God…dat vinden we moeilijk.

Na de crisis rondom Uzza en de bezinningstijd geeft David zich wél over. En om deze houding uiterlijk te benadrukken, legt hij kroon, staf en mantel af. David danst in zijn hemd. Een dansend kind van God is hij…maar bepaald niet kinderachtig. Hij is een volwassen mens die al zijn maskers, al zijn uiterlijke tekenen, al zijn pracht en praal, zijn eisen, voorwaarden, zijn grootdoenerij aflegt, net zo als heimelijke gevoelens van minderwaardigheid. Hij staat bij wijze van spreken naakt voor zijn schepper. Naakt wil zeggen, zoals hij ten diepste is.

Michal – Davids vrouw, maar ze wordt hier Sauls dochter genoemd – ziet het tafereel vanuit het raam. En ze walgt ervan. Heeft ze een vorstelijk man getrouwd, een man van eer, macht en aanzien, staat hij daar temidden van zijn volk zonder kroon of mantel. Half in zijn blootje laat hij zich gaan. Als een puber huppelt en danst hij in het rond. Michal is ervan overtuigd dat het doel van religie is om haar man nog belangrijker te maken, nog koninklijker. Ze vindt het vreselijk dat David zich zo vernedert, temidden van zijn slavinnen. Haar man moet zich verheffen! Maar David weerspreekt haar: “Ik dans voor de Heer. En al zal ik me erger vernederen, al zal ik me zelfs in mijn eigen ogen verlagen, dan nog zal ik in aanzien staan bij de ​slavinnen​ over wie je spreekt.”

En dan staat er dat Michal kinderloos blijft. Nu is dit voor ons iets heel moeilijks. Want ook al staat er in deze tekst niets over straf van God, toch wordt er op zijn minst een verband gesuggereerd tussen Michals minachting jegens David en haar lot als kinderloze. Nee, het is absoluut niet zeker dat het hier om een straf gaat. Het kan ook zijn dat Michal haar man zo veracht dat ze niet meer met hem wil slapen. Maar toch. Er is een relatie tussen Michals kinderloosheid en Michals houding tegenover David en God.

En dat kan ik niet verteren. Zo veel mensen die graag een kind zouden willen krijgen, vragen zich af, wat heb ik fout gedaan? Heb ik God iets misdaan… ? Of mijn medemens? Vragen die vrijwel nooit beantwoord worden. Terwijl in de bijbel de link tussen ongeluk en schuld vaak onverbloemd wordt gelegd, is dat in onze tijd veel minder duidelijk en spreken we eerder van een mysterie dan van Gods wil.

Dit gezegd hebbende nodig ik u en mezelf uit om de tekst te laten staan en de diepere boodschap voor onszelf als mensen van deze tijd te onderkennen. En de diepere betekenis is volgens mij niet dat Michal letterlijk geen kinderen krijgt, maar dat haar manier van leven vruchteloos is, dat wil zeggen: zonder toekomst, zinloos. Michal kan zich niet overgeven aan God. Zij kan zichzelf niet loslaten, zelfs niet voor even.

David opent zich voor de Eeuwige. Michal sluit zich af. De overgave van David leidt tot hoop, belofte en zegen. Die van Michal leidt naar leegte en gemis.

En was het nu maar zo eenvoudig dat we gewoon zouden kunnen zeggen: ja, maar ik lijk op David, hoor. Ik herken niets in Michals houding. Maar de werkelijkheid is dat het vaak zo simpel niet is. Soms lijken we op David en geven we ons helemaal over aan onze Heer. Op zondag, maar ook in de week. In ons gebed, maar ook in ons werk en hobby’s. Maar op andere momenten lijken we op Michal en zeggen we: ja, ik geloof wel, maar ik blijf wel eigen baas. Ik ga niet door de knieën.

Ja, er huist in ons een David én een Michal. Maar dit ingewikkelde gegeven hoeft ons niet lam te leggen. Want elke keer opnieuw mogen ons bezinnen en ons bekeren. Net als David. Hij lijkt in eerste instantie ook op Michal. Hij gaat een vruchteloze, doodlopende weg, waarin hij zichzelf boven God stelt. Maar hij komt tot bezinning, keert zich om. Hij kiest de weg van eerbied, vreugde, dans. Overgave, vooral.

Ook wij kunnen deze weg gaan. Wij kunnen tot inkeer komen. Elke keer opnieuw, elke dag, elk uur. Opdat we leven…Gods toekomst tegemoet.

Amen