Zondag 4 augustus 2019

 

Lezing Lucas 12, 13-21                              

                       

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De woorden die we vandaag van Jezus horen zijn niet moeilijk te begrijpen. Met het hoofd dan. Met het hart is het daarentegen een stuk lastiger wat Jezus hier allemaal zegt. Waarom helpt hij de vragensteller niet bij het verkrijgen van zijn rechtmatig erfdeel? Waarom mag je niet sparen voor morgen? Wat maakt Jezus de dingen toch lastig. Wat wil hij toch?

Misschien denkt u ‘deze tekst is vast iets eenmaligs tussen al die prachtige helende mooie woorden van Jezus’. Maar dat is niet zo. Want als je de evangelieën goed bestudeert, dan blijkt dat Jezus veel vaker dit soort weerbarstige woorden zegt. Denk bijvoorbeeld aan de gelijkenis over de werkers in de wijngaard. Acht uur hebben ze in de hete zon gezwoegd. Toch krijgen ze bij Jezus evenveel betaald als degenen die slechts één uur gewerkt hebben. Of Martha. Zij doet al het werk terwijl Maria alleen maar zit en luistert. Logisch dat ze bij Jezus haar gelijk probeert te halen. En toch berispt Jezus niet Maria, maar de hardwerkende Marta. En dan de gelijkenis over de vader en de twee zonen. De oudste blijft bij zijn vader wonen terwijl zijn jongere broer de bloemetjes buiten zet en al het geld verbrast. Toch slacht de vader bij terugkeer van zijn jongste zoon het gemeste kalf terwijl de oudste in al die jaren daarvoor niet eens een geitenbokje kreeg.

En zo zijn er nog veel meer gedeeltes in de Bijbel, waarbij Jezus tegen ons gevoel voor rechtvaardigheid ingaat, tegen ons verlangen naar gelijkheid en een eerlijke verdeling. Zo ook in de tekst van vandaag. En dat schuurt. Dat voelt niet goed. Want een onjuiste verdeling van een erfenis kan wonden slaan. Wonden die soms een mensenleven lang blijven schrijnen. Ik denk dat velen van ons hiervan voorbeelden kennen uit de eigen levensgeschiedenis of de naaste omgeving. En dan gaat het er niet alleen om dat de ander meer geld en spullen krijgt. Maar vooral om de gevoelens die daarmee gepaard gaan. Is mijn broer soms meer waard dan ik? Houdt moeder meer van mijn zus dan van mij? Waarom moet de zwakke in het gezin nu ook nog ‘s meer geld krijgen dan de andere kinderen? Hij kreeg ook al zo veel liefde en aandacht….

 

Ja, erfeniskwesties kunnen diep ingrijpen en juist daarom vind ik het niet eenvoudig te accepteren dat Jezus zich daar buiten wil houden. En toch denk ik dat Jezus ons met deze weerbarstige woorden een essentiële waarheid laten zien. Een waarheid die dieper ligt en verder reikt dan ‘eerlijk zullen we alles delen’. Blijkbaar wil Jezus onze ogen openen voor een bestaanslaag waarin het er niet meer om gaat of je misdeeld wordt of je misdeeld voelt.

Jezus zegt tegen de misdeelde broer: “Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht. Want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen.” Jezus maakt hier nogal een grote stap. Hij koppelt het verlangen naar het rechtmatige aandeel van de erfenis direct aan hebzucht. En ik vraag me af of dat zo terecht is.

Maar het is wel zo dat de vragensteller vindt dat hij tekort komt. Hij heeft niet dat gekregen wat hij zou moeten krijgen, waar hij recht op heeft. In dit geval gaat het om een erfdeel, om bezit. De vragensteller heeft – zo lijkt hij wel te denken – niet genoeg om werkelijk en voluit mens te zijn. Nou, misschien heeft hij wel genoeg om te eten en kleding te kopen. Maar hij heeft niet genoeg in vergelijking tot zijn broer, want die heeft meer….

Omdat zijn broer meer heeft dan hij, heeft de man te weinig. Denkt hij. En daarom gaat hij naar Jezus. Maar die wil hem hierin niet steunen. Want, zo zegt Jezus, zelfs overvloed zal te weinig zijn, als je er niet voor kiest te zijn om rijk te zijn bij God. Het zijn maar een paar woorden. Rijk zijn bij God. Terwijl het daar toch echt om gaat. Rijk zijn bij God. We weten wellicht allemaal dat het hier om een andere rijkdom gaat dan die van de euro’s, huizen en andere bezittingen. Het is de rijkdom die Jezus ons schenkt. De rijkdom van het ontvangen: liefde, heling, vergeving. En de rijkdom van het geven, alles wat je kunt…

Rijk zijn bij God. Dat is niet genoeg hebben. Het is genoeg zijn. En genoeg zijn, dat kan zelfs met je zeer beperkte budget. Dat kan zelfs met een niet verkregen erfenis. Genoeg zijn. Dat kan met een handicap of met een rare karaktereigenschap of met wat voor tekort je maar te kampen hebt. Rijk zijn bij God, dat is zijn zoals je bedoeld bent: kind zijn van God, Gods beeld en gelijkenis.

De gelijkenis die Jezus direct hierop vertelt gaat over een rijke man die voorraadschuren bouwt om zijn opbrengst veilig te stellen. De strekking is ongeveer hetzelfde als in de voorgaande scène. Maar er zijn nog enkele interessante details die onze aandacht vragen. Zo is het verrassend dat Jezus de rijke man een dwaas noemt. En dat terwijl hij economisch gezien juist uiterst verstandig en beredeneerd te werk gaat. Hij is misschien wel net zo verstandig als wij, die hard werken of hebben gewerkt. Niet alleen voor ons dagelijks brood, maar ook om onze toekomst veilig te stellen. Om later als de pensioenleeftijd is bereikt volop te kunnen genieten en iets meer dan een droge boterham te kunnen eten.

Zo is het met de rijke man uit de gelijkenis. Zijn land brengt meer op dan hij meteen kan opeten. En dus bedenkt hij hoe hij in deze omstandigheid het beste kan handelen. Hij houdt als het ware een vergadering met zichzelf en komt zo tot de beste oplossing: namelijk grotere schuren bouwen. Mooi is het dat hij nu al beseft wat hij tegen zichzelf zal zeggen als de schuren klaar zijn: namelijk dat hij genoeg voorraad heeft voor jaren.

Buitengewoon verstandig allemaal hoe de rijke met zichzelf vergadert. Hij is zo geconcentreerd op dit gesprek dat hij niet meer om zich heen kijkt. Hij is zo druk bezig met het nadenken over zijn eigen toekomst dat hij vergeet te leven als kind van God. Hij praat zo intensief met zichzelf dat hij niet meer weet wat het is om te praten met de Ander in de hemel en de ander hier op aarde.

En God laat dit niet zomaar gebeuren. Hij zegt: met geld kan je geen toekomst kopen. Morgen kun je ziek worden of een ongeluk krijgen en dan is al dat vergaren voor niets geweest. Zo rolt Jezus de in zichzelf gekeerde mens als het ware open.

Gemeente, we kennen de voorbeelden uit onze naaste omgeving. Misschien heeft u het zelf ook meegemaakt. Dat iemand na jarenlang hard werken niet van zijn pensioen kan genieten, maar juist ernstig ziek wordt of zelfs sterft. Ongelooflijk verdrietig en voor je gevoel zo onrechtvaardig. En toch: het gebeurt.

Wat mij overigens opvalt is dat mensen die een hartaanval hebben gekregen of anderszins aan de dood zijn ontsnapt, mensen die dus oog in oog hebben gestaan met hun eigen einde, dat die vanaf dat moment vaak anders gaan leven. Minder in zichzelf gekeerd, meer in het hier en nu, dieper in relatie tot God en de dierbaren. Ik heb wat langer geleden een man ontmoet die veel tijd en energie had besteed aan het vergaren van rijkdom. Hij was hierdoor simpel gezegd miljonair geworden. Helaas werd hij op zijn vijftigste getroffen door een hartinfarct. Toen hij in het ziekenhuis lag, ontving hij ter bemoediging vele kaarten. Van vrienden en familie, maar van ook onbekende dorpsgenoten en gemeenteleden. Die kaarten. Dat was het onderwerp waarover die man met mij wilde praten. Niet over zijn prestaties, niet over zijn maatschappelijk succes, niet over de behaalde winsten. Nee, de man vertelde mij over zijn hart dat het bijna had opgegeven en dat opnieuw tot leven was gekomen. Door de ingreep van artsen, maar zeker ook door een stapel kaarten. Hun waarde bedroeg misschien een paar tientjes. Ach, wat praat ik een onzin. Hun waarde was onschatbaar hoog, zelfs voor deze miljonair.

Meestal cirkelt ons leven rond drie werkwoorden: willen, hebben, doen. We hunkeren, we klampen ons vast, we winden ons op. Op het werk, thuis, op het voetbalveld, op de sociale media en soms op vakantie, soms zelfs in de kerk. Steeds is er weer iets nieuws om te willen, te hebben en te doen. Er is altijd weer iets anders dat verkend moet worden, gedaan, verworven of gekocht.

Maar ondertussen vergeten we dat het bij God ten diepste niet gaat om willen, hebben en doen. Natuurlijk. De woorden zijn niet onbelangrijk. Maar er gaat wel iets aan vooraf. Als God zich bij de braamstruik aan Mozes bekendmaakt, noemt hij zichzelf ‘Ik Ben die ik Ben’. Gods naam heeft dus alles te maken met het ultieme en fundamentele werkwoord ‘zijn’. En dat betekent dat het werkwoord Zijn ook de bodem is van óns bestaan.

Omdat God is, kunnen wij zijn. En dit Zijn van God is de schatkist of voorraadschuur waaruit we steeds opnieuw kunnen putten en van waaruit we kunnen weggeven. Nu al. Vandaag. En elk uur dat komt. Laten we onze ogen open doen voor deze waarheid. Laten we het gevoel van tekort schieten of tekort komen verlaten, zodat we zien dat God IS en dat wij zijn beeld en gelijkenis zijn. Wat een rijkdom. Wat een overvloed. Er komt geen einde aan.

Amen