Gemeente van Christus,

Over ongeveer kwartier, twintig minuten zullen twee ouderparen – Carlein & Brian, en John & Doetsje – hun kind ten doop houden. Rondom dit kerkelijke ritueel zullen ze – als het goed is – twee keer ja zeggen. De eerste keer vóór de doop als er gevraagd wordt naar hun verlangen kind te laten dopen. En de tweede keer na de doop, wanneer de vraag klinkt of ze Lieke en Joris willen voorgaan op de weg van Jezus. Twee keer dus een ja-woord. En met dit ‘ja’ zeggen de ouders: het is goed dat Jezus onderdeel wordt van het leven van onze kinderen. We willen dat hij intocht houdt in hun leven. Met hun ja-woord ontvangen ze Jezus in hun gezinnen. Op de klank en inhoud van hun ja dragen ze Jezus als het ware hun huiskamer binnen. En wij als gemeente zingen vrolijk: Gezegend is hij die komt als koning in de naam van de Heer.

Ik hoop dat het ‘ja’ van de ouders straks ferm zal klinken. Vol overtuiging en enthousiasme. Ik hoop dat ook ons ‘ja’ luid en duidelijk hoorbaar zal zijn, als antwoord op de uitnodiging om onze eigen doop te gedenken en de aanwezigheid van Jezus in ons leven te beamen.

Maar hoe helder onze stem ook zal zijn en hoe overtuigend de klank, we weten van onszelf en van elkaar dat ons ‘ja’ soms wankel is en lang niet altíjd zo stevig. Bij de meesten van ons is het ‘ja’ tot Jezus niet krachtig als een paard, eerder een beetje onbeholpen, zoals een veulen. Het ‘ja’ is nog jong en struikelt zelfs af en toe. Het heeft als dragend ‘ja’ geen enkele ervaring, want – zo staat geschreven – er heeft nog nooit iemand op gereden. En toch kiest Jezus volgens Lucas geen volwassen paard om Jeruzalem binnen te komen, maar een gebrekkig veulen. De Heer van liefde en leven wordt door dit dier gedragen, niet door een paard. De Heer heeft een veulen nodig. De heer heeft ook óns nodig.

Want vandaag worden wij uitgenodigd Jezus naar binnen te dragen, hoe onzeker en twijfelend we soms ook zijn. We brengen Jezus in onze eigen levens en in de levens van onze kinderen, in de kerk, de stad, de school, ons dagelijks bestaan. Want het is goed om de Mensenzoon in ons midden te hebben. Zijn wijsheid, heling en liefde maken dat wij tot ons recht komen. We zijn blij met Jezus’ steun en troost en zingen hem daarom lofliederen toe. Door zijn goede voorbeeld leren we wat leven is. Dus wuiven we met palmtakken.

En toch is voorzichtigheid is geboden. Want als wíj Jezus binnendragen dan zouden we kunnen gaan denken dat hij van ons is. We drágen hem dan niet alleen, maar lijven hem ook in. In onze cultuur, onze manier van leven, onze manier van kerkzijn. We gebruiken dan de naam Jezus of ‘het’ christendom om vreemde geluiden buiten de deur te houden. We zetten Jezus naam op ónze muntstukken. We nemen hem op in óns partijprogram. Zetten hem naar ónze hand. En laat dat nu net niet zijn wat Jezus op het oog heeft. Hij is immers niet van ons. Wij zijn ván Hem.

Ja, vandaag halen we Jezus binnen. We zijn enthousiast en vol geloof. Maar morgen zal Jezus ons prikkelen en ergeren. Hij zal vragen stellen bij de manier waarop we met ons geld omgaan, met onze medemens, de natuur, ons lijf. Hij zal ons oproepen tot vergeving van onze vijand terwijl we daar helemaal geen zin in hebben. Jezus zal niet alleen de marktkramen op het tempelplein omverwerpen, maar ook onze manier van doen en denken. Hij zal ons tegen de haren instrijken.

Ja, vandaag halen we Jezus met gejuich binnen, maar binnen een week zullen we hem buiten de deur zetten. Hij is ons te lastig, geeft ons te veel tegenstem, is een blok aan ons been. Het hosanna zal verstommen en op het plein bij Pilatus klinkt bij herhaling en zonder aarzeling: kruisig hem. Niet lang daarna zal Jezus Jeruzalem worden uitgeleid. Alleen zal hij dan zijn, want ook zijn beste vrienden zullen het laten afweten.

Ja, vandaag nog wordt hij door een veulen de stad van mensen binnengedragen, dragen wíj Jezus óns leven binnen. Maar over nog geen week wordt Hij niet gedragen, maar draagt Hij zelf. De boom des levens ligt loodzwaar op zijn rug.

Deze boom des levens wordt hem aangedaan. Door mensen. Maar deze boom des levens neemt Jezus ook bewust op zich. Voor mensen. We zeggen het in de kerk klassiek: Jezus is het lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. Die woorden zijn niet voor iedereen herkenbaar of begrijpelijk. En toch raken ze volgens mij aan de diepe ervaring van veel mensen. Nee, het is niet gemakkelijk om te verwoorden wat je ten diepste beweegt, wat je gelooft, wat leeft op de bodem van je ziel. En toch … als ik doorvraag, wacht en tastend luister, en u of jij al stamelend en struikelend toch iets vertelt … dan hoor ik toch vaak zo iets: “Ik weet me opgetild, vergeven, verzoend.” Of “Ik word gedragen. Door Jezus, door God.”

Daarom is het bekende gedicht ‘Voetstappen in het zand’ misschien ook zo geliefd. In dit gedicht kijkt iemand terug op haar leven. Ze ziet haar leven met de hoogte- en dieptepunten als een strand met een spoor van twee paar voetstappen, die van de Heer en zichzelf. Maar juist in de crises ziet ze maar één paar voetstappen. Vanwege dat ene paar zit ze vol vragen. En dan legt De Heer haar uit dat Hij haar juist op die moeilijke momenten heeft gedragen.

Straks klinkt het ‘ja’ van de doopouders én het ‘ja’ van ons. Want onze eigen keus, onze eigen houding richting Jezus is van het grootste belang. Voor ons en voor onze kinderen. En toch zullen velen die ‘ja’ hebben gezegd erkennen dat er aan hun eigen ‘ja’ een groter ‘JA’ vooraf is gegaan. En dat is het ‘ja’ van Jezus, van God. Want als het erop aan komt zijn wij het niet die Jezus dragen, maar draagt Jezus ons.

God zij dank.

Amen