Dertig engelen

Hoe gelovig moet je zijn om juist in een kerk op adem te willen komen? En is er geloof nodig om vier uur in de maand gastheer of -vrouw te zijn, zonder zeker te weten of iemand tot je gasten wil behoren?
Vragen die zo bij me boven komen na een eerste zomer waarin de Boomhofkerk opengesteld was voor bezoekers. Een voorzichtig initiatief waarin we ervoor kozen om van woensdag tot en met zaterdag van 11.00 tot 15.00 uur de deuren te openen. Er deden 650 bezoekers een stap over de drempel. Dat waren belangstellende toeristen die van alles over het gebouw wilden weten, ex-Gramsbergers die herinneringen ophaalden, vermoeide wandelaars die gewoon even wilden zitten en deelnemers aan Lichtstad Challenge die wel een warme kop thee konden gebruiken. Er waren ook medebewoners van ons stadje die ‘gewoon’ nooit een kerk zouden bezoeken, maar nu toch even binnenkwamen om een kaars aan te steken ter gedachtenis van een overleden buurman. En dan waren er ook nog velen die gewoon binnenkwamen zonder doel. Gewoon om even binnen te zijn, in een ruimte die anders is dan al die andere plekken.
In de buurt van het Pieterpad-beeld stond een duidelijk bord ‘kerk open’. Koos een passant ervoor om inderdaad af te slaan naar de ingang, dan trof hij of zij daar één of twee van de ruim 25 vrijwilligers. Heel soms kwam het voor dat Harold of Gerrit het orgel bespeelde, als oefening voor de komende kerkdienst. Een enkele keer had een vrijwilliger zijn muziekinstrument bij zich. Maar meestal was het stil. Een paaskaars brandde. Blaadjes met een zegenbede lagen voor het oprapen.
Maar hoe zit het nu met geloven? Niemand stond op de zeepkist om ‘het’ geloof te verkondigen. En noch van de bezoekers noch van de vrijwilligers wisten we hoe het met hun binnenkamer gesteld was. En toch denk ik zelf: ‘op adem komen’ is meer geweest dan bezoekersaantallen en een open deur. De deuren werden geopend naar een ruimte, een gelegenheid om – misschien, even – sporen van God te vinden. En dan niet als overtuiging of leer, maar als een verrassende aanwezigheid.
Wat concrete voorbeelden: sommige gastheren en -vrouwen ontdekken dat geven kan samenvallen met ontvangen. Ze geven tijd en energie, maar ontvangen gesprekken met bezoekers, onderlinge gezelligheid, een eigen moment van rust. “Ik heb dertig engelen ontmoet”, vertelt een vrijwilliger. Een ander verhaalt over hoe ze is geraakt door Duitse bezoekers die meerstemmig begonnen te zingen. Weer een ander doet verslag over hoe hij zelf in de kerk een kunstwerk ontdekte en hoe hem dat ontroerde. In het gastenboek danken bezoekers voor rust, stilte, schoonheid, orgelspel, gastvrijheid, gesprek en soms zelfs voor het geluid van de stofzuiger. Zelf heb ik tijdens de ‘open kerk’ vooral gemeenteleden gesproken, soms met aanzetten voor een vervolggesprek. Ik dacht, hé, zelfs voor de eigen leden lijkt het alsof de drempel nu lager is.
Ik ontwaar in dit alles de God van de Bijbel, die zich naar ons toewendt in liefde en trouw. Hij gaat ons voor in wolk en vuur. Geeft aan ons leven rust en duur. En geeft het zin en samenhang. Zingt dan de Heer, een nieuw gezang (lied 655 vers 2).

Hetty Boersma