Preek van ds. Hetty Boersma voor de ochtenddienst van 27 januari

 

Gemeente van Christus,

Vorige week hoorden we hoe het joodse weesmeisje Ester het hart van de koning won en tot koningin werd gekroond. Vandaag vestigt Ester zich in het paleis en maken wij kennis met haar tegenspeler, Haman. Om onduidelijke redenen krijgt ook hij van de koning een toppositie. Zijn plek in de hiërarchie is zo belangrijk dat iedereen voor hem buigt en zelfs knielt. Alleen Mordechai, Esters pleegvader, weigert eraan mee te doen. Haman is diep gekrenkt. Hij wil zich niet alleen op Mordechai wreken, maar op al diens volksgenoten. Van de koning krijgt hij carte blanche om alle joden uit te roeien.

Een mythisch sprookje met een klassieke confrontatie tussen goed en kwaad. Of toch gruwelijke geschiedenis over ooit, lang geleden. Hoewel … is het echt zo lang geleden? Er zijn duidelijke parallellen met de recente geschiedenis toen Hitler ver opschoot met het systematisch doden van de joden. Het is hem bijna helemaal gelukt.

De tekst wekt onze verbijstering en afschuw. Maar als we het zien als een verhaal over vroeger of over anderen, dan vindt het wel búiten ons plaats. Wij blijven bij wijze van spreken aan de zijlijn staan of op de tribune zitten. We maken geen deel uit van de gebeurtenissen. Dat komt natuurlijk ook door het bijbelboek. De gebeurtenissen en ook personages zijn nogal extreem neergezet. Daardoor zeggen we: zoals zij zijn, zo ben ík niet. Ik ben geen held als Mordechai, ik ben geen koning en zeker geen kwade genius als Haman.

Maar wat nu als het verhaal niet alleen plaatsvindt ergens in de geschiedenis of op het podium van de schouwburg of in een oeroud boek, maar ook in ons eigen hart?

Wellicht niet zo groots en spectaculair als we het zojuist gehoord hebben, maar toch … We kunnen de verhaalfiguren zien als stemmen in ons hoofd, als houdingen die u en ik soms of toch wat vaker aannemen, ten opzichte van onszelf, de ander, God. Als we dat doen, staan we niet meer aan de zijlijn. In tegendeel: we zijn met huid en haar betrokken. En … het blijft tot het laatst toe spannend. Want hoe zal het in ons hart aflopen? Naar welke stem zullen wij uiteindelijk luisteren? Voor wiens stem zullen wij door de knieën gaan?

Laten we beginnen met de minst spannende persoon in het verhaal: Ahasveros. Hij is koning en dat zijn wij niet. Nou ja … een beetje dan, want over ons eigen leven willen we het toch wel graag zélf voor het zeggen hebben. We zijn onafhankelijk zeggen we, hebben regie. Maar het opvallende is dat Ahasveros ondanks zijn koningschap bar weinig regie toont. Als zijn ministers hem het advies geven Wasti de laan uit te sturen, dan doet hij het. Als de hovelingen hem aanraden een missverkiezing te houden om zo een nieuwe bruid te zoeken, dan vindt hij dat een goed plan. En als Haman hem voorstelt een volk uit te roeien, gaat hij akkoord, zonder ook maar één vraag te stellen.

Volkomen willoos is Ahasveros, een marionet in de handen van anderen. En dat zijn wij toch niet? Of toch wel een beetje. Want om ons heen zijn vele machten en krachten die ons laten doen wat zij willen. Ik denk bijvoorbeeld aan de macht van reclame. Wij denken dat we zelf beslissen welke auto we kopen of welk toetje. Maar we staan onder invloed van lieden die aan de hand van onze bonuskaart, googlegeschiedenis of facebookprofiel precies weten waar onze voorkeuren liggen.

Hoe zit het trouwens met het groepje jongens in Spijkenisse die een andere jongen in elkaar slaan. Wilden ze dit allemaal echt of lieten ze zich door een of twee leidersfiguren meeslepen? En als dat zo is, maakt dat ze dan minder schuldig?

In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw staken miljoenen mensen de arm omhoog voor Hiltler. Denkers en doeners, rijken en armen. Waren echt al deze Duitsers slecht? Of waren het vooral mensen zonder een ontwikkelde wil, mensen die zich lieten meeslepen, die werden gemanipuleerd?

De Ahasveros in mij is de Hetty die passief is. Die helemaal geen zin heeft om na te denken, een eigen mening te vormen, een wil te ontwikkelen. De Ahasveros in mij is gemakzuchtig, bijna onverschillig. Ach, laat de anderen het maar bepalen, die weten het vast beter. Dat ondertussen het kwaad de volle ruimte krijgen, daar sluit ik mijn ogen voor. Ik was mijn handen in onschuld. Ik weet van niks.

En dan nu Haman. Hij is het kwaad in hoogst eigen persoon. Ja we kennen de machtswellustelingen van de geschiedenis. We hebben op school gehoord van Hitler, Idi Amin en Stalin. Afschuwelijk, maar in zekere zin ook prettig. Want als zij het kwaad, zijn, dan zijn wij het in ieder geval niet …

Maar hebben we op school ook de Haman in onszelf geleerd? Nee, ik doel nu niet op de geslepen massamoordenaar, maar op het trotse, eergevoelige deel in onszelf, het deel in u en mij dat snel beledigd is, gekrenkt, het deel dat zint op wraak.

Haman weet dat hij niet met zijn gekrenkte trots bij de koning moet aankomen. Daarom vertelt hij Ahasveros over een volk dat zich overal in het rijk heeft verspreid en dat zich aan eigen wetten houdt. Wij weten dat dat Gods wetten zijn. Frappant trouwens hoe helder en scherp Haman de werkelijkheid ziet. Haarfijn voelt hij aan van wie hij het meest te duchten heeft, namelijk van de God van de joden. Die is overal aanwezig en laat zich door geen enkele andere macht vangen, zelfs niet door die van Haman. Die God is niet onder de indruk van grote ego’s en opgeblazen types. Die is wars van hoogmoed en hebzucht. De God die Haman vreest is de God van dienen en delen. Want van dienen en delen krijgt Haman een onprettig gevoel en van dat gevoel wil hij af. En dus moeten de joden en ook de God van de joden weg.

Ben ik zoals Haman? Nee, zeker niet! Maar diep in mij zit wel een stukje dat op Haman lijkt. Dat stukje heeft soms wel degelijk moeite met wat God van mij vraagt. Er zijn teksten in de Bijbel die ik serieus neem, maar die me ook een onbehagelijk gevoel geven. Dat je van Jezus je vijand moet liefhebben, bijvoorbeeld. Of dat je als rijk mens niet zo gemakkelijk Gods koninkrijk binnenkomt. En dat je de minste moet willen wezen …

Laten we gaan naar iemand voor wie we meer respect hebben. De jood Mordechai. Wat heeft hij zich goed kunnen aanpassen aan de vreemde cultuur. Hij is een buitenlander, maar valt hij aan het Perzische hof niet op. Een flexibele, meegaande man die zijn pleegkind Ester deze levenshouding ook heeft aangeleerd. ,,Zeg maar niet dat je jood bent’’, zei hij tegen haar. Het maakt het leven zo veel gemakkelijker.

Waarom zou je op je werk zeggen dat je gelooft? Waarom op een vakantie vertellen dat je dominee bent. Je krijgt zo veel vragen, zo veel frustraties op je bord. Trouwens, waarom zou je je hoofd boven het maaiveld uitsteken? Hoge bomen vangen veel te veel wind.

Maar soms stuit je meegaandheid op een grens. Mordechai bereikt die grens wanneer hij voor Haman moet buigen en knielen. Kijk hem staan. Rechtop. Tegelijk kwetsbaar én sterk. Daar staat hij. Hij kan niet anders. Is de Mordechai in u al op gestaan? En bij jou? Wanneer kwam of komt bij jou het moment dat je gaat staan? Wanneer stapt u naar de directeur om grof onrecht aan te kaarten? Hoeveel kwaad moet worden gesproken, hoe fanatiek moet er iemand worden buitengesloten voordat je besluit er iets van te zeggen? Wanneer doe je je mond open, in je voetbalteam, je kaartclub, je vriendenkring? Wanneer neem je de beslissing, Nu moet ik gaan staan, omwille van de liefde, omwille van God.

Nee, je hoeft er niet gemakkelijk over te doen. Want je weet van de risico’s. Straks vinden ze je een halfzachte. Straks moeten ze je niet meer. Je luidt de klok, maar met klokkenluiders loopt het vaak niet goed af …

De lezing van vandaag eindigt met uiterst slechte berichten. Het kwaad heeft de overhand … een volk wordt met de dood bedreigd. Ondertussen is ook mijn hart zwaar geworden, bekommerd. Ik weet mezelf moedig als Mordechai, maar ik weet ook dat ik net als Ahasveros het liefst mijn ogen zou willen sluiten, doen alsof ik er niets mee te maken heb. Ik ben soms dapper, maar soms ook een meeloper, ja zelfs iemand die willens en wetens voor het kwade kiest.

Is er iemand die hieruit een redding biedt? Is er iemand die dit verwarde hart kan helen? Die een weg baant uit dit moeras? Iemand, een God, een mens die zelfs haar of zijn leven hiervoor over heeft?

We hebben al een tijd niets van Ester gehoord, maar we weten dat ze er is. We weten ook van Jezus, wiens keuzes en weg zo op die van Ester lijken. Én we weten van de God die in hen aanwezig is.

Er is hoop!

Ook voor ons.

Amen